Welkom op mijn homepage.

(Let op: deze site heeft een serieus-professioneel deel (hierzo) en een luchthartig-persoonlijk, soms absurd deel. Je kunt dat laatste kiezen via het menu of  meteen door naar: zevenenzeventig-publicaties)

Ik ben Paul Jungbluth, onderwijssocioloog en hou mij haast vijftig jaar bezig met

‘de ongelijkheid van kansen in het onderwijs’.

Eerst bij de Universiteit van Nijmegen, daarna bij die van Maastricht.

Op deze website vind je de gebruikelijke informatie over mijn CV, mijn publicaties en presentaties, waarvan je de meeste ook kunt downloaden. Daarnaast vind je in het hoofdmenu ook mijn samenvattende kijk op het hoofdthema: ongelijke onderwijskansen.

Min of meer samenvattend is ook een serie van drie powerpoints met de titel “Hints voor de Inspectie over Kansenongelijkheid”. Ze horen bij een nieuwjaar-lunchlezing van januari 2018 voor medewerkers van de Onderwijsinspectie. (Kijk op de pagina Presentaties Nederlands). Wat daarin zoal langs komt:
– doen de meiden het werkelijk beter of zijn er toch vraagtekens,
– zijn sommige basisscholen beter dan andere en hoe meet je dat,
– jawel, een effectieve basisschool loont echt voor de latere kansen, en
– slechte onderwijskansen ontstaan mede door bevooroordeeld adviseren en vervolgens door sociaal ongelijke op- en afstroom in het VO.

Dat alles wordt gelardeerd met cijfers  over zeven keer vierduizend uitstromers uit tweehonderd basisscholen in Zuid-Limburg en hun positie in het VO3 (nu ‘Educatieve Agenda Limburg’ (https://www.educatieveagendalimburg.nl/).

Paul Jungbluth is natuurlijk meer dan alleen onderwijsonderzoeker. Ook van dat ‘meer’ geeft deze website een indruk:
Naast het ‘Professioneel Hoofdmenu’ op deze site vind je daarom een ‘Persoonlijk Hoofdmenu’.
Je vindt in dat ‘Persoonlijk Hoofdmenu’ alvast de flapteksten van ‘zevenenzeventig publicaties die almaar op zich laten wachten’: over uiteenlopende kwesties, ervaringen en verzuchtingen, actueel dan wel historisch. Meestal met een knipoog, soms hilarisch, soms aangrijpend. Of alles tegelijk.
Ook dat is dus Paul Jungbluth. Geniet ervan als het je bevalt. Of laat het voor wat het is en beperk je tot het professionele deel. 

Terug naar mijn loopbaan

[read more=”Lees verder” less=”Lees minder”]

De afgelopen jaren was ik verbonden aan de Universiteit Maastricht. Om precies te zijn: bij de “School of Business and Economics”, afdeling Algemene Economie II, onderzoeksgroep Economics of Education. (Vgl. educatieveagendalimburg.nl, academischewerkplaatsonderwijs.nl of onderwijseconomie.org )

Het (vooralsnog) grootste deel van mijn leven werkte ik bij het ITS (Instituut voor Toegepaste Sociologie, later toegepaste sociale wetenschappen) van de Universiteit van Nijmegen. En tussendoor zat ik kort in de Tweede Kamer voor GroenLinks. En ook al ben ik nu de zeventig gepasseerd, het thema blijft boeien, het engagement dooft ook al niet en net zo min de bemoeizucht.

In mijn werk bij beide universiteiten lag de nadruk op de link tussen onderzoek en praktische onderwijsvragen, meestal beleidsvragen: het beleid van scholen, van gemeenten of, meestal, van ministeries, soms ook van belangenbehartigers van bepaalde kansarme groepen. Vaak gaat het erom feiten en processen bloot te leggen die juist vragen om beleid dat er nog niet is, of juist laten zien dat beleid tekort schiet. De onderzoeksvragen hadden en hebben altijd een link met de kansenongelijkheid  in het onderwijs.

Wat mij betreft vraagt meer kansengelijkheid eigenlijk niet om onderwijsvernieuwing maar om het kopiëren van best practices, kortom: je moet scholen een spiegel voorhouden opdat de praktijk van de besten (‘evidence based’) tot regel wordt voor de rest.

Vooral grootschalige cohortstudies (met duizenden leerlingen die over jaren worden gevolgd in hun ontwikkeling) staan sinds eind jaren tachtig in mijn werk centraal. Feitenkennis dus op basis van herhaalde meting. De resultaten zijn in de eerste plaats bedoeld voor het betrokken onderwijsveld en de actoren daaromheen. Het onderzoeksmotief zijn vaak evaluaties van voorrangs- en achterstandsbeleid of om de daaraan gelinkte schooleffectiviteit. Of anders wel het kweken van het bijbehorende probleembewustzijn. De verzamelde data lenen zich doorgaans voor heel veel meer: beschrijvend en funderend onderzoek en staan via ‘Dans’ ter beschikking van derden.

Gegeven de typische ‘toegepaste’ setting waarin zulke onderzoeken zijn en worden gefinancierd, uitgevoerd en gerapporteerd, bevat mijn CV vooral Nederlandstalige onderzoeksverslagen en lezingen of presentaties en relatief weinig bijdragen aan wetenschappelijke tijdschriften. Talloos echter zijn de publicaties van collega’s die met de grootschalige databestanden verder aan de slag gingen en daarover juist wel vooral internationaal publiceerden en nog zullen publiceren.

In de afgelopen twintig jaar concentreerde ik me op de lotgevallen van leerlingen in Zuid-Limburg. Er wonen daar zoveel mensen als in Rotterdam en ook de kansenongelijkheid is er in talloze opzichten net zo groot, ook al wonen er weinig allochtonen. Oude industrie en mijnbouw lokten er ooit grote groepen laaggeschoolde arbeiders naartoe, over wier nageslacht zich nu het ministerie en de onderwijsinspectie zorgen maken. Samen met collega’s volgde ik er tienduizenden leerlingen. Veel van wat die onderzoeken aan inzichten opleveren is in grote lijnen ook elders van toepassing.

Sinds het Amsterdamse Innovatieproject van Co van Calcar en Siebe Soutendijk, Jan Grandia’s Onderwijs-en-Sociaal-Milieu in Rotterdam en de hele reeks uit de Contourennota voortvloeiende Innovatieprojecten Basisschool zijn er nog heel wat ‘vernieuwingen’ gevolgd. Met uitzondering van Jan Slavenburgs ‘Kleinschalig Experiment Achterstandsscholen’ (dat zich zonder enorme financiële investeringen niet grootschalig laat herhalen) ken ik geen vernieuwingen die leidden tot aantoonbare kansenverbetering. De effective school beweging zit niet op zo’n innovatie-toer en houdt het er op dat het helpt om scholen een spiegel voor te houden: ‘kijk wat jij aflevert in vergelijking tot anderen’. Ze mikt dus op concurrentie en waar nodig trapt ze het onderwijsveld op de ziel. Als je inderdaad de reële verschillen ziet tussen wat vergelijkbare scholen met vergelijkbare leerlingen leveren, hoeft het wiel niet meer helemaal te worden uitgevonden. Sommige zijn kennelijk (heel) veel verder dan anderen. Als de rest hen zou navolgen zijn we al een heel eind. Blijft de vraag: wat precies is dat wiel?

De nieuwste Amerikaanse variant van de Elementary and Secondary Education Act genaamd the Every Student Succeeds Act poogt verbeteringen te bereiken via diezelfde weg: resultatencheck aan de hand van gestandaardiseerde toetsen, maar dan publiek gemaakt. Met mijn collega’s in Maastricht deden we jaren op rij iets vergelijkbaars in Zuid-Limburg: vertrouwelijk lieten we zo’n tweehonderd basisscholen in Zuid-Limburg zien wat ze leverden in vergelijking tot elders en na correctie voor publieksverschillen. Helaas raak je ook van de kansenverbetering die zulke terugkoppeling tot stand brengt voorlopig niet in extase. Het onderwijsveld is vooral bezig met andere sores dan de kansenongelijkheid.

Klaar met dit soort werk raak je dus nooit. De kansenongelijkheid is hoogst actueel. Daarnaast staat het kansenbeleid er bleker bij dan een kwart eeuw geleden: het blijft trekken en duwen. Ook daarom deze website.

kleuterkansen_home
[/read]