‘De genade van het woonadres’

‘De genade van het woonadres’

In ‘De genade van het woonadres’ verzorgt oma Mina begin jaren dertig tijdelijk haar zieke vader Kutsch in zijn woonhuis in het Duitse deel van Vaals, nog geen twintig meter voorbij de Nederlandse grens. Haar oudste zoon Leo bezoekt daardoor noodgedwongen de leerjaren drie en vier van de deutsche Grundschule; voordien en nadien zat hij op de min of meer Nederlandstalige Aloysiusschool, vijf minuten lopen aan Nederlandse kant.
Met dan eigenlijk alleen lager onderwijs (dertiger jaren: pa Peter werkloos, wel ULO-advies maar centjes binnenhalen heeft voorrang) heeft werk-zoeken hoogste prioriteit. Omdat hij in een grensstreek woont verplicht de vooroorlogse Nederlandse overheid hem tot werk zoeken in Duitsland.
Met een Duitse moeder, een halve loopbaan in het Duitse basisonderwijs en met als thuistaal het Akense dialect treedt hij eind 1939 aan voor zijn Nederlandse dienstplicht aan de Hollandse kust. Verloven worden meteen al ingetrokken en zullen dat blijven tot de Duitsers binnenvallen; het koude angstzweet druipt van de verzonden briefkaarten naar zijn Vaalser kameraden van de Katholieke Jonge Werkman. In zijn naïviteit vraagt hij hen eerst nog om een bestuursvergadering uit te stellen tot hij weekendverlof zal hebben.
Daadwerkelijk geschoten vanaf zijn luchtafweergeschut, dat heeft hij dus nooit. De eerst overkomende Duitse piloot (het had zomaar zijn bloedeigen neef kunnen zijn, van iets verderop in de Akener-/Vaalserstraat, uit het Duitse deel van Vaals) vliegt eerst doodleuk door, keert dan hoogst professioneel op 10 mei bij Scheveningen (op zo’n spitsvondigheid waren ‘onze jongens’ niet ingeoefend: ze wachtten op de volgende) en nadert nu van achteren; de granaatsplinters zitten van schouder tot kuit, sommige nog jaren lang. Maanden later pas druipt de verslagen Nederlandse soldaat dan af naar zijn halfduitse thuis.  Daar hebben zijn ouders en verloofde al die tijd niet geweten hoe het met hem was en in welke staat ze hem terug zouden krijgen: ook de administratie van het overwonnen oorlogsministerie lag op zijn gat. Op nu naar de gedwongen Arbeitseinsatz in het nabije en vanouds vertrouwde Aken, vervolgens met regelmaat door de Sicherheitsdienst in elkaar gemept bij zijn dagelijkse grenspassages, waar ze het onderduikadres wilden weten van zijn jongere broer Joep.
Als geüniformeerd lid van de Militaire Ordedienst in het al in ’44 bevrijde zuiden gaat hij enthousiast als mede-overwinnaar achter de Amerikaans-Canadese bevrijders aan, mee op rooftocht langs Duitse textielfabrieken. Dat die bevrijders zo makkelijk toegang kregen tot de meiden, dat zat hem hem later hoog. De Ordedienst staat onder leiding van ‘Mijnheer Pastoor’ bij gebrek aan burgerlijk gezag. Op diens aanwijzing ontnemen ze de latere communistische senator Hub Hermans uit het eigen dorp zijn sleutelrol in de voedseldistributie. Aan die arrestatie te hebben meegewerkt, dat spijt Leo later nadrukkelijk. Wat hem niet spijt is dat hij het voorstel afwijst om de Nederlandse staat te helpen bij de voortzetting van de koloniale oorlog in Indonesië. Dan liever kolen sjouwen tegen laag loon op de stokerij van wat hij later als ‘zijn’ fabriek zal beschouwen.
Net als zijn vader en schoonvader zal hij na de oorlog werken op de dan Vaalser Textiel Fabrieken (VTF). 
Als die textielfabriek failliet gaat is hij als stoker nog maanden nodig om het gebouw en de voorraden op temperatuur te houden. Zijn loon wordt nu salaris, onder zijn blauwe overall verschijnt een stropdas, niemand verbiedt hem het gebruik van het directietoilet. Als vakbondsman staat hij dagelijks paraat om ontslagen collega’s bij te staan bij allerlei administratieve sores. Hij zal dat dienstverlenende werk nog jaren nadien trots voortzetten als ‘vakbondswinkelier’ in Heerlen.
Als hem – nog weer heel veel later – wordt gesuggereerd, te bezien of er alsnog een oorlogspensioentje in zit, ziet hij daarvan bij nader inzien af als hij daartoe de gebeurtenissen van mei ’40 zou moeten uitpakken uit zijn geheugenkluis. No way.
Op zijn tachtigste wil hij met zijn dan al veel te lang verwaarloosde hartklachten in geen geval onder Duitse messen, daar op loopafstand van thuis, in het uitmuntende akademisches Klinikum in Vaalserquartier. Verderop, in Heerlen, rijden ze hem ´s nachts de lakenkamer op met zijn opiate pijnbestrijders en zijn, van medisch voorgeschreven dorst kapot gesprongen lippen. Zijn oorlog is nu weer helemaal los en hoogst actueel en houdt nu ook medepatiënten uit hun slaap. Niet lang meer.
(Bijgewerkt juli’21; foto: Leo in de Vaalser Harmonie, die na de oorlog speelt in de straten van Aken)

Terug naar het publicatie overzicht