Heuse Karels gaan niet zitten mokken *

Heuse Karels gaan niet zitten mokken *

In ‘Heuse Karels gaan niet zitten mokken’ heeft de auteur regelmatig moeite, Karel van het Reve in het halfdonker te onderscheiden van nu eens Karel Marx, dan weer Karl May. Eigenlijk had hij toch alleen om een kort gesprek gevraagd met die eerste, die hem als auteur van alle drie eigenlijk het best beviel.
Bij dit zoveelste bezoek aan de hemelpoort treft hij ze liefst gedrieën aan. In een donker hoekje bereiden ze een min of meer gezamenlijk Manifest voor met de werktitel Zur himmlisch-zynischen Aufklärung. Marx‘ basistekst wordt telkens meteen geredigeerd door Reve en, als die er klaar mee is, op aandringen van Marx gepopulariseerd door May, waarna Reve dan weer zorg zal dragen voor een acceptabele Russische versie: ‘We hebben straks wel alle destructief potentieel nodig’.
Marx wil niet opnieuw ‘falsch verstanden’ worden en Reve houdt hem onder dat motto zoveel mogelijk met twee benen op de hemelse grond. Met het inhuren van May gokken ze op een breed doorsneepubliek, zoveel moet Reve wel toegeven.
Marx geeft hoog op over Mays politieke betekenis voor zowel de VS als het Midden-Oosten: ‘Hij heeft daar in zijn tijd met veel moed actief ingegrepen en zonder aanzien des persoons. Ik heb dat van veel van zijn lezers terug gehoord.’. Reve laat ook dit nou maar even lopen, maar hij heeft het er duidelijk niet makkelijk mee, zo licht hij fluisterend toe als Marx even wordt afgeleid door een opzichtig bezige huishoudende engel vlakbij. Wat later, zijn kleren nog schikkend, weet Marx het heel beslist: May zal bij al die vervreemde zielen hier het juiste bewustzijn weten te wekken en zijn langdradige landschapsbeschrijvingen van destijds vervangen door een doorgronde weergave van de ware, objectieve hemelse verhoudingen. ‘Nur so’ kan immers het revolutionaire potentieel ontstaan voor de ‘notwendiger himmlischer Kladderadatsch’.
May werkt intussen trouwens ook al aan een licht pornografisch verslag over zijn eigen heldenrol daarin: te paard ruimt hij met zijn berendoder op in de allervoorste hemelse linies, ‘daar waar ook de neuzen worden afgehakt’. Gedrieën geven ze, gevraagd naar een een tijdplan, aarzelend te kennen dat de omwenteling zelf hopelijk nog uitblijft ‘tot na onze tijd’. De auteur houdt zijn verwarde verbazing daarover maar even voor zich.
Ik was echt heilig overtuigd dat dit alles helemaal niet zou bestaan, of dat het mij toch op zijn minst bespaard zou blijven’ wil Reve nog wel vanuit zijn mondhoek kwijt, terwijl de auteur naar zijn suikerkoekjes zoekt, om met betere bloedwaarden snel aan langer hemels verblijf te ontkomen. Hij is bang dat dit reisverslag voor de reeks ‘Hemelvaarten’ heel veel voetnoten zal vergen.

Terug naar het publicatie overzicht