Grof geweld vanaf de lessenaar

Grof geweld vanaf de lessenaar

In ´Grof geweld vanaf de lessenaar´ wordt de psyche van de onderwijzer anno ’55 ontleed (de auteur waagt zich nog niet aan recentere jaren, evenmin aan andere dan de zelf bezochte scholen). Als binnenkomend eersteklasser wordt hij meteen geconfronteerd met een vglo-leerling (destijds nog gekoppeld aan de lagere school) die met de lange lat de trap af wordt gemept door een van de overwegend mannelijke onderwijzers. De vglo was een soort voorloper van het huidige praktijkonderwijs, bedoeld voor wie niet geschikt was voor iets hogers maar desondanks – toen haast onverklaarbaar – minder dan twee keer had gedoubleerd en dus nog tijd moest uitzitten. ULO (uitgebreid lager onderwijs) was ter plaatse het hoogst haalbare vervolgadvies, voor het vhmo (nu vwo) moest je uren in de bus of kiezen voor een priesterinternaat.
In deze echt schoolsociologische studie met een etnografisch karakter, loopt de auteur beurteling het hele onderwijsteam van de lagere school voor jongens langs. De juf van klas twee bij voorbeeld die groeiende lijstjes met namen op het bord schrijft (1 kruisje erbij betekent straks 2x) van leerlingen die ze in de pauze keurig maar fors met een liniaal over hun op de lessenaar uitgestrekte vingers zal striemen. Dat heeft ze vast zo geleerd op haar opleiding ooit, van een uit Engeland overgewaaide onderwijsvernieuwing. Leerlingen (ook ouders) noemen haar ‘d’r kuusj‘.
Een Duitstalige oud-pastoor struikelt bij binnenkomst in het lokaal (hij geeft godsdienstles, uit taalverlegenheid dan maar in het dialect) over tientallen leerlingen die voor straf inmiddels in twee rijen op hun knieën voor de klas zitten, sommige dichtbij de loeiende kachel. Ze vormen haast de helft van de ruim veertig leerlingen tellende combinatieklas, geleid door de kettingrokende onderwijzer die ze ‘d’r bukkem‘ noemen. Tientallen keren moeten alle tafeltjes van vermenigvuldiging thuis worden uitgeschreven als strafwerk wanneer het automatiseren niet meteen lukt en de verwachtingen nog niet tot het vriespunt zijn gedaald. Veel ouders herbeleven daarbij ongetwijfeld hun eigen falen van destijds en sluiten nu een privaat solidariteitsverbond van sippe-gewijze laagpresteerders contra school, het bevrijdende gezamenlijke afzien van ambitie.
Dan is er de hoofdmeester die ook al lesgaf toen ‘d’r pap’ hier nog als leerling soms zijn viool mocht meebrengen.  Terugmarcherend uit de kerk na de zoveelste klassikaal verplichte begrafenisdienst voor whoever roept hij zijn soldatesk opgestelde leerlingen selectief bij naam. Die moeten een stap naar voren doen op het schoolplein (met aan de overkant de meterslange stinkende pisgoot, in de winter bevroren, slechts vanaf de achterkant overdekt; tegenwoordig is vooral de aanwezigheid van zeep schoolonderscheidend) en zich nu in de voorste rij gereed houden voor een loei van een seriegewijs uitgedeelde oorvijg. De afstraffing volgt op geconstateerde misdragingen tijdens de kerkdienst zojuist, vooralsnog de hoogste zonde. Enkele jaargroepen later valt vooral de raamrij op, waar dagelijks pedagogisch bedoelde klappen worden uitgedeeld aan de zwakpresteerders van de klassen 5 en 6 (de huidige groepen 7 en 8). Het klasregime is kennelijk ook weer niet voor alle leerlingen gelijk.
Deze case-study handelt dus eigenlijk over klassemanagement en de bijbehorende basisvaardigheden van het onderwijzend personeel. Jacob Kounin kwam pas weer in 1970 met het een volgende, modernere oplossing. Was het niet net daarvoor Mollenhauer die de twijfelachtige publieke status beschreef van onderwijzers als volwassenen die dagelijks beroepshalve kinderen slaan?
Klasgenootjes verraden, dat hoorde er natuurlijk bij: ” Iesj sjies diesj aa, ich sjies diesj aa, doe has dieng ôpjave nit jemaat. Huits doe dieng opjaaf jemaat, hejje vuur ’t d’r lierer nit jezaat …” Heel het lokale volk zong dat met carnaval: Helfer der Volkspolizei. Dat krijg je van een autoritaire opvoeding legde later Mitscherlich uit: de slachtoffers worden weer net zo. De uit Amerika terugkerende leiding van de gevluchte Frankfurter Schule suggereerde in ’45 nog even om dan maar de hele opvoedende generatie juist voor dat opvoeden ongeschikt te verklaren,  om zo oorlogsherhaling te voorkomen. Ter vermijding van in aanleg autoritaire persoonlijkheden zou volgens hen een hele volgende generatie naar verlichte kostscholen moeten. Een gelukkig door velen niet gevolgd advies zo leren we van de misbruikschandalen op de vrije Waldorfschulen. Klasmanagement is vandaag de dag nog steeds hoofdprobleem 1 voor menig beroepspedagoog. Zojuist meldt de BBC dat moeilijke leerlingen soms wekenlang vast worden gezet in de isolation booths die eigenlijk bedoeld zijn voor leerlingen die even in stilte op pad moeten worden geholpen. Kleinzoon heeft het beter getroffen met louter juffen: hij moet bij wangedrag op ‘het foute plekje’ tot inkeer komen. De Winter (ja Micha, jij moet straks ook maar even meekijken) zoekt de oplossing in ‘autoritarisme’ . Hmm.

Terug naar het publicatie overzicht