In de antagonistische tegencultuur van de proletariër gloort het post-revolutionaire paradijs

In de antagonistische tegencultuur van de proletariër gloort het post-revolutionaire paradijs

Wie eind jaren zestig lid was van de Maoïstische KEN-ML, de Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland, Marxistisch-Leninistisch, voorganger van de huidige SP, de Socialistische Partij, die werd meteen ook geacht om het juiste klasse-bewustzijn uit te dragen. Je kon dat herkennen aan de uitgesproken voorkeur voor volkse muziek, aan het merk en type van de brommer en aan heel beslist taalgebruik dat geen tegenspraak duldde. Nijmeegse sociologiestudenten bleken opeens woordvoerder van Rotterdamse havenstakers, principieel voorstander van de traditionele zorgrol voor vrouwen en tegenstander van gastarbeid.
Welke precies de aanlokkelijke en veelbelovende kanten zijn van zulk arbeidersbewustzijn, dat gaan wij in dit, nu nog voorlopige project samen nader onderzoeken. Methodologisch gaat het om ‘Arbeiterbildung’, ‘exemplarisches Lernen’ en ‘soziologische Phantasie’ à la Oskar Negt, de grote socioloog en didacticus van het volwassenonderwijs. Ons voorlopig enige studie-object daarbij is oom Joep, exemplarisch dus; hij is reeds lange tijd geleden uitgestrooid achter het crematorium.
Oom Joep, enige en jongere broer van de vader van in dit geval uw projectleider werd op 13 mei 1924 geboren in Vaals en was bij de overval op Nederland door de landgenoten van zijn moeder nog net geen zestien. Zijn enige oudere broer (de vader dus van uw projectleider) verdedigde die dag korte tijd Den Haag en zat prompt vol Duitse kogels. Die Duitse inval had de sympathie van minstens één van Joeps ooms en is meteen al een sleutelgegeven: het betekende het einde van zijn toch al gebroken schoolloopbaan die was opgestart in het Duitse basisonderwijs toen zijn moeder tijdelijk zorgverlener werd van zijn Duitse opa op minder dan twintig meter van de Nederlandse grensovergang in de Vaalser Akerstraat. Die Duitse overval was ook de voorbode van zijn lange en angstige onderduik bij een Nederlandse boer ter vermijding van de Duitse Arbeitseinsatz. Voor de duidelijkheid: alle hier betrokken personen waren parochianen van de Vaalser St. Pauluskerk, ze woonden op zeer korte loopafstand van elkaar en zij communiceerden alle in hun gezamenlijke Akense dialect.
Toen jaren later Amerikaanse en Canadese bevrijders vanuit Holset Vaals waren genaderd werden al snel de voor Duitse militairen spionerende kloosterlingen in Mamelis ingerekend. Het leegstaande klooster werd daarop een verplichte opvangplek voor allerlei terugkeerders uit het geleidelijk verder bevrijde Duitsland: mannen die gedeporteerd waren als werkslaven, mensen voor wie de bevrijding net op tijd hun bewust geplande vernietiging voorkwam en die moeizaam huiswaarts wilden en – wie zal het zeggen – paniekerige nazi’s op aftocht die zich niet als zodanig voorstelden. Hoe dan ook: reden om het hele onontwarbare pluimage eerst maar eens stevig te bewaken. Oom Joep kwam zo aan zijn eerste baan: gevangenenbewaker in een Benedictijnenklooster.
Je zou je kunnen voorstellen dat Joep na zulke dramatische belevenissen een beroemd kunstenaar zou zijn geworden of een veelgelezen schrijver met een verstoorde puberteit en een zwaar gemankeerd wereldbeeld. Maar nee, Joep werd ongeschoold arbeider, ging iets verderop in een Franstalige kolenmijn ‘aan de kolen’, leerde ooit van zijn vader de blinde knoop leggen in gebroken garendraden en werd daarop wever bij de Vaalser Textiel Fabriek. Dezelfde fabriek waar zijn vader ooit dagenlang verplicht bivakkeerde op de weverij na een hartaanval en waar zijn oudere broer begon als kolensjouwer voor de stoker van de fabriek. Niks geen kunstenaar dus met interessante aberraties, geen groot schrijver met traumatische inspiratie, gewoon een alledaagse wever.
Welk wereldbeeld leidde Joep uit deze introductie in de samenleving af, welke waarden wilde hij voortaan realiseren, wat was zijn levensdoel? Ondervraagd is hij daarover niet, wel zijn er voldoende anekdotes om grote lijnen uit te tekenen.
Allereerst was daar zijn hang naar communistische regimes die hij weliswaar nooit als leraar richting volgende generaties ventileerde, wel als kroegtijger-kameraad naar naaste barkrukzitters. Of zulk bekeerwerk resultaat had valt niet te achterhalen. Dat de kapitalistenklasse het in zijn betogen zwaar moest ontgelden, dat staat wel weer vast. Zijn baan evolueerde van één-weefstoel per wever naar zes-weefstoelen per wever. Met dichtgeplakte oren werden de luidruchtig stampende weefgetouwen gemonitord waarop uiteenlopende inslaggarens door de telkens anders opgetrokken schering werden geschoten en de schietspoelen soms vervaarlijk het luchtruim kozen. Dat dat systeem een kwestie van uitbuiting was, stond voor Joep vast. Dat ze daar in Vaals topkwaliteit wollen stoffen voor chique herenkostuums leverden, dat ook. Dat hij die zelf niet droeg, niet nodig had, dus vervreemd bezig was naar Marxistisch inzicht, dat boeide hem niet. Met De Heren van de fabriek stond hij op grote distantie. Het waren volstrekt gescheiden werelden.
Een gezin startte Joep niet. Op zijn dertigste stierf zijn moeder na een lang en pijnlijk ziekbed: borstkanker. Ze zat uren jankend, geknield met haar hoofd op schoot bij haar zoons. Zeven jaar later stierf ook zijn vader. Sindsdien leefde hij alleen. Geen ruzies meer over dronkenschap en wat al niet.
Nou zijn cafés de woonkamers van het volk, toch? In ieder geval voor Joep. Gewapend met zijn ‘stoepmercedes’, een boodschappentas op wielen, gevuld met flessen vol ‘botrammen’ waagde hij van tijd tot tijd de oversteek naar een volgende horecaonderneming. Ver was dat toentertijd nooit. Met de formule ‘een fles is gelijk twee zwartbroodboterhammen’ ging het dan thuis verder. Soms ook niet: dan begaven de benen het onderweg al en wist hij later niet van zijn thuiskomst.
Op feestdagen kwam hij eten. Hij nam dan het wereldgebeuren, het ingeschakelde radioconcert en de aangeboden maaltijd kritisch door. Soms bleef hij hangen, verhaalde over het gebrek aan hygiëne bij de ‘kinderen’ in Aken en wekte weerzin bij zijn stief-schoonzus. Stoer waren zijn verhalen over Oost-Europese vakantiebestemmingen.
Jawel, twee weken per jaar zat Joep in Roemenië of in Albanië of daaromtrent. Hij verhaalde hoe hij daar onderaan de vliegtuigtrap met getrokken karabijnen werd ontvangen. Maar altijd vriendelijk volk hoor, vaak lag ’s ochtends op zijn hotelkamer het kleingeld op tafel dat was overgebleven van een afrekening waaraan hij geen bewuste herinnering had. Wat hem daar niet beviel was de traagheid van het personeel bij elke volgende drankronde. Dat kwam, dacht hij, omdat hun betaling niet varieerde met de omzet. Maar het kostte daar allemaal niks.
Voorbijgangers hebben de politie gewaarschuwd toen Joep gevangen was geraakt op het eigen toilet. De deur was iets te ver open blijven staan waardoor hij niet bij de kruk kon komen om zich op te richten van de toiletpot. Urenlang heeft hij zitten roepen. Voor het bejaardentehuis was hij nog te jong. Pas nadat de Limburgse ambtenaar die zijn uitzonderingsaanvrage behandelde herhaaldelijk mee had gedeeld dat DEZE aanvrage negatief was afgehandeld drong tot uw projectleider de boodschap door. Hij deed een NIEUWE aanvrage. Alsnog met succes. Op zijn vijfenzestigste serveerde de kok hem de bestelde gestoomde varkenspoot met zuurkool. Joep had daarop nog een jaar te gaan in een verzorgingskliniek in Heerlen, na een hersenbloeding. Bij zijn laatste autorit door Vaals passeerde uw projectleider een vrolijk stel zomers geklede jongelui op het zonnige terras van een ijssalon. ‘Kiek man, er is nog materiaal genoeg’ concludeerde bijrijder Joep.
Nou maar hopen dat u als meelezende projektuitvoerder de perspectief biedende diamantjes uit deze waarnemingen weet op te pikken. Na de revolutie moeten die immers verder uitgroeien in het klasseloze walhalla.
Sympathieke oom, eigenlijk toch ook wel, niet? Die Joep.
01/22

Terug naar het publicatie overzicht