‘Langs de rafels van het land’

‘Langs de rafels van het land’

In ‘Langs de rafels van het land’ ligt de auteur mijmerend tussen kapitaalkrachtige kopers van emotional labor in het verwarmde buitenbad van een luxe bordeel in Lemiers. De kosten declareert hij straks als voorwerk voor wat een handboek voor de zich op de zin van het leven bezinnende weekendtoerist in het Mergelland moet worden.
Schuins omhoog over de oude trambaan links, loert hij oostwaarts door het dal zijn Vaals onder de rokken. Daar waar over de Sneeuwberg Engelse koningen onder veel bekijks hijgerig naar hun Akense kroning trekken, langs oude Romeinse villa’s, daar wordt vanaf de Siegfriedlinie Vaals onder schot gehouden als de Canadese bevrijders bij Kasteel Vaalsbroek – schuin zuidwaarts – al over de heuvels gluren naar hun volgende krijgsgebied. Hen houdt het Ardennenoffensief nog vast.
Verder oostwaarts laten geharde centuriërs in Romeinse dienst zich lekker verwennen in de vulkanisch verwarmde Elisenbrunnen in het centrum van de regionale hoofdstad. Zelf zijn ze nooit in Italië geweest, maar hier moeten ze hele Germaanse volksstammen van grondgebied doen wisselen en van hun jonge jongens beroven: voorindustrieel Kanonenfutter. Vlakbij rechts, langs de Schuurmolen, slepen gehuurde achtspannen van boerenpaarden allerlei gestolen kunstwerken bergop, oostwaarts, richting de Akense Dom in aanbouw. Die komen onder de Luikse Poort vandaan in Maastricht. Hen komt een armoeiige Butterprozession tegemoet van Duitse huismoeders, weduwen en oorlogsgehandicapten, hardop biddend richting Holset, met nu nog lege boodschappentassen.
Willem van Oranje dreigt vanaf de Noordelijke Heuvels de vrijstad Aken te plunderen als ze geen losgeld wil betalen voor daar in veiligheid gebrachte Maastrichtse rijkdom. Jonge katholieke ouders steken de zuidoostelijk gelegen bergpas naar België over om in Moresnet hun kinderen te laten dopen door hun, de grens over gejaagde katholieke geestelijkheid. Daar bij die grenspas begint ook de elektrisch geladen dubbele grensversperring oostwaarts waarin onoplettende Vlamingen het leven zullen laten.
Achter noodhospitaal Blumentahl hebben nog-op-te-lappen kauwgommende helden met een korte toekomsthorizon, vleselijke gemeenschap tussen het prikkeldraad door, in ruil voor sigaretten, nylons, pindakaas. Misschien wordt dit wel hun laatste happy ending. Veel van hun kompanen zullen in de loop van het Ardennenoffensief opgenomen worden in het Wittemse noodhospitaal verderop naar het westen of, erger nog, eindigen onder Margratense zoden.
Schuin achter, minder ver westwaarts, wordt een monnikenklooster geruimd wegens collaboratie met de bezetter. Oom Joep zal er – als hij in mei 45 tot opluchting van oma Mina uit de onderduik terugkeert – opgepakte NSB’ers gaan bewaken naast weinig welkome overlevenden uit de Duitse kampen. In de Kerkstraat in Vaals braden slagers een decennium later het verse vlees kort aan,  om zo hun Duitse taalgenoten de invoertax te besparen op hun grensoverschrijdende terugweg naar de grote stad.
Boven, bij het zuidoostelijke Drielandenpunt neemt opa Miesjl, douanier, de bretels af van betrapte smokkelaars. Voor hen is – weet hij – een afgezakte broek te erg. Ocharm, de dorpsjongens.
Voorlopig weet de auteur nog niet, waar nou te beginnen.

Terug naar het publicatie overzicht