‘Onverrichterzake ten Hemel weergekeerd’  *

‘Onverrichterzake ten Hemel weergekeerd’ *

 

Andermaal waagt de auteur zijn leven voor een hoger doel: met een net niet fatale insuline-injectie dringt hij door tot vlakbij de hemelpoort. Bepaald pretentieus is dit keer zijn opzet: hij wil niet minder dan verslag doen van een gesprek-aan-de-hemelpoort met de Zoon Zelf. Van Hem, nu niet van anderen wil hij een helder antwoord op de vraag of Zijn missie van weleer onderhand niet grotendeels als mislukt moet worden beschouwd.
De vraag “Hoe de Zoon van God met de kennis van vandaag terugziet op Zijn missie van toen“, die lijkt de auteur hoogst actueel nu de opvolger van Petrus de Romeinse stallen poogt te  ruimen. Als straks ook de Congregatie voor de Geloofsleer een opknapbeurt krijgt, dan zal toch ook kritisch moeten worden gekeken naar de verlossing van alle zonden, net zoals een modernisering aan de orde is van de ultieme criteria voor het scheiden van de bokken van de schapen. De auteur hoopt dat hij – met dit aandragen van Zijn antwoord op de kernvraag – een summiere maar wezenlijke bijdrage kan leveren voor die pauselijke schoonmaak. Misschien ook hoopt de auteur, zo toch nog iets goed te maken, na het strikte verbod van pap destijds om een kerkelijke carrière te starten op Rolduc dan wel bij oudoom broeder Thaddeus, minderbroeder in Gemmenich. Dat de auteur voor zijn hemelreis een kerkelijk gezien dubieus risico met het eigen, door God geschonken leven neemt, dat zal hem heus wel worden vergeven.
Helaas: in no time krijgt hij bits te horen dat de kans op een gesprek met de Zoon absoluut nul is. Het personeel bij de hemelpoort geeft geen krimp, sowieso niet zo lang er geen forse bedragen in meegaan, een suggestieve optie die overigens in alle formaliteit wordt ontkend. En zelfs áls, dan nog zou de Zoon moeilijk los te weken zijn van Zijn eindeloos gepruts met snuifmengsels van wierook, al sinds Zijn traumatische hemelse wederkeer, nu bijna tweeduizend jaar geleden.
Jammer dus, het meegenomen zakgeld volstaat maar net voor een kort weerzien met ‘d’r pap’. Die blijkt inderdaad een plekje veroverd te hebben in de achterste hemelse rijen, waar stiekem gekaart wordt: toepen. Zijn altijd al matige enthousiasme voor het hiernamaalse geluk blijkt nu compleet zoek. “Hei passiert iewisj nieks. Wenn iesj dat evvel jewoos hej.” Al zijn aandacht wordt intussen getrokken door verleidelijke kreetjes en gekir vanaf de overkant van het hemelse plein, door geurflarden van braadvlees en door kleurrijk vuurwerk aldaar. Ware er niet die vervaarlijke engel in lange leren OD-jas, dan had hij nu vast snel de doorsteek gewaagd. “Blijf maar zo lang mogelijk hier vandaan, allemaal verloren tijd en moeite.” luidt zijn haastig afscheidsadvies als hij met kracht de hemelse poort weer wordt ingeduwd.
Ook aan de broeierige overkant vangt de auteur uiteindelijk bot: hij had nog een stiekem plan B: een gesprek met opponent Judas, maar ook dat wil niet vlotten. Die is zich, hossend met een partij schaars geklede personeelsleden van weerskanten van het plein, kennelijk ergens flink aan te buiten gegaan. Helder denken is er niet bij en wat hij stamelt gaat teloor in gegiechel en gelal.
Uiteindelijk lijkt het puur uit medelijden als een jonge duivelin de auteur nog snel een hart onder de riem steekt. “Lees nou maar dat boek van Thaddeus Mobley over de android robot Minsky die ze destijds ook maar stilletjes hebben teruggehaald na zijn langdurige aardse missie. Zolang je enige tekst ‘I can help’ is, en elk aantoonbaar effect daarna ontbreekt, is zo’n hele ‘Verlosserstournee’ bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Alles wat die Zoon van de overkant destijds heeft losgemaakt is die enorme Mariaverering. Misschien kun je daar nog wel wat mee in je verslag, dat ze toch maar een Viereenheid moeten doorvoeren in hun geloofsleer daar beneden. Maar ik zou nooit echt rekenen op haar voorspraak, hoor. Zo’n status heeft ze hier echt niet, dat is een zoveelste glorierijk geheimpje van die leernichten van Opus. En al die Maastrichtse aandacht voor de koninginnekroning, ook maar carnaval. Zeg ze dat maar.
De auteur beraadt zich voorlopig nog of hij van dit mislukte avontuur wel ooit verslag zal doen.

Terug naar het publicatie overzicht