Opa Miesjl legt de fundatie voor een familie-imperium

Opa Miesjl legt de fundatie voor een familie-imperium

Het was een coöperatie naar min of meer socialistisch model, de ‘Bouwvereeniging Vaals’ begin 20e eeuw. Ze bouwde rond 1904 drie woonhuizen op rij aan wat toen nog Bloemendalstraat, later Vaalserhaagweg en tegenwoordig Heuvel heet. Heel Vaals trok er bij de eerstesteenlegging ‘op zijn zondags’ op uit met vlag en wimpel (op de achtergrond de huidige Maastrichterlaan). Leden-eigenaars van de vereniging kochten loten voor de optie om zo’n huis te kopen. Opa Miesjl trok een winnend lot. Bij enkele vermogende dames in Heerlen nam hij een lening van enkele honderden guldens. Hij was de oudste in een gezin met jongere broertjes en een vroeg overleden vader, zeg maar plaatsvervangend gezinshoofd. In de lange tuin die eindigde bij de grote doorgaande weg van Maastricht naar Aken bouwden ze een professioneel bakhuis en in de kelderverdieping van het woonhuis, die van achteren open was, een paardenstal. Met paard en kar werd brood uitgevent. Tussen bakhuis en grote weg bleef een bouwplaats open voor een latere winkel. Het getuigt allemaal van ondernemerszin en van risico-mindedness, eigenschappen die volgens modern-theoretiserende economen ten grondslag liggen aan maatschappelijk succes. Zou het werkelijk? Uw auteur heeft zo zijn sociologisch geïnspireerde twijfels. Het hier aangekondigde familie-epos moet uitwijzen wat de rol is van het gelukkige toeval en van allerlei relevante sociale randvoorwaarden. Met ruim aandacht voor pech en jammer.
Tja, wie kan nog navertellen hoe het verder precies liep? Wereldoorlog I moest nog uitbreken en daarna volgde een wereldwijde depressie. We vinden Miesjl daarna met vrouw en kinderen terug in Smeermaas in de functie van douanier. Zijn kinderen werden er op school gepest vanwege hun Akense dialect (Vaalser dialect bestaat eigenlijk niet, het is Akens en dat is weer een variant van het Keulse Ripuarisch, het Benedenrijns, maar daarover elders meer). Zijn vrouw had er heimwee tussen de tweejaarlijkse overstromingen door van de Maas en zo keerden ze terug naar Vaals waar ze vervolgens Wereldoorlog II zouden beleven.
Het bakhuis kwam nooit meer in gebruik, het huis was deels verhuurd aan een familie met veel kinderen en Miesjl bracht dagelijks een pannetje soep naar een alleenstaande tante zonder kinderen. Gevolg daarvan was uiteindelijk het bezit van nog een tweede (!) huis. Slimme Miesjl zeiden ze.
Zo ver heeft inderdaad de andere grootvader van uw auteur, opa Peter, het nooit geschopt. Die woonde gehuurd in een stadse huurkazerne aan de Lindenstraat naast de nu vergeten Vrije School in Vaals die na onverbiddelijk bisschoppelijk ingrijpen weer razendsnel moest sluiten. In die woonkazerne hield hij een paar extra centen over aan het wekelijks leegdragen van het enige toilet des huizes. Hetzelfde toilet dat de vader van uw auteur elke ochtend bezet moest houden opdat zijn pa tijdig kon beginnen aan zijn dagelijkse voettocht naar toen nog een Akense textielfabriek. Later zou opa Peter de andere opa, Miesjl bijscholen voor het vak van textielwever (‘ongeschoolde, wel geoefende handarbeid‘ zegt de sociologie). Toeval, pas een kwart eeuw later zouden de Vaalser Textielfabrieken alweer failliet gaan. Opa Peter zong overigens zondagsochtends eerst bij ‘het kloostertje’ van de Paters Redemptoristen in de Kerkstraat, later op diezelfde zondag nogmaals, nu bij de Paters Camilianen ‘aan de Esch’. Daarvan word je misschien een beetje heilig maar natuurlijk geen huizenbezitter, hooguit verdien je er een plekje mee in het Hiernamaals. Van dat laatste ontbreekt echter elke notariële akte; Peter bleef levenslang gehuurd.
Zo niet opa Miesjl. Die maakte begin jaren vijftig juist een lange officiële akte op om de overdracht van zijn beide huizen alvast te garanderen richting zijn nakomelingen. Dat waren er liefst zeven, vier dochters en drie zoons. De jongste dochter, de moeder van uw auteur, moest op dat moment snel aan een woon worden geholpen en zij werd door dit vroeg vastgelegde testament nu alvast huurder én straks ook eigenaar van het in 1904 gebouwde woonhuis met bakhuis op voorwaarde van uitkoop van twee andere ‘stammen’, te zijner tijd dan, dus pas na Miesjls overlijden.
Een van de echtgenoten van Miesjls andere dochters wilde liever meteen geld zien dan deeleigenaar-op-lange-termijn worden van een van Miesjls huizen. Zo resteerden er in het verdelende testament drie deel-eigenaars (‘stammen’) per huis. Maar voorlopig dus nog even niet: pas na zijn dood. En de man had goede genen, hij werd ouder dan de meesten van zijn voorouders.
Tot die tijd ving hij pacht. Allereerst dus van zijn jongste dochter die in het huis met bakhuis woonde, samen met nog weer onderhuurders. In dat huis werd overigens een badkamer aangelegd, waarvan Miesjl (inmiddels weduwnaar) wekelijks eenmaal het gebruik claimde. Zelf woonde hij in zijn andere huis, samen met zijn oudste, intussen gehuwde dochter en zijn oudste, ongehuwde zoon. Zijn jongste zoon zou dit huis als derde stam wel ooit mee erven maar woonde er al gauw niet meer. Wel verpachtte Miesjl ook dit huis wederom deels en wel aan zijn jongste broertje die levenslang bakker bleef in de Vaalser ‘Konsum’ (opnieuw zo’n coöperatie naar min of meer socialistisch model) en die intussen gehuwd was en vier kinderen had.
Miesjls testament lag vervolgens aldoor in zijn alleen door hem zelf te openen kast (‘d’r sjraank’) in de alom verplichte ‘goede kamer’ (‘jow tsämmer’), waar alleen jaarlijks de pastoor werd ontvangen en waar dan ook nooit werd gestookt of verbleven. Jammer van de ongebruikte kamer, de woondichtheid was aanmerkelijk, gelucht werd er zelden, de drie aanwezige mannen rookten urenlang sigaren en pijp. Minstens een deel van de betrokkenen hield intussen maar een vage notie van de inhoud van het ingewikkelde testament, zo ze al ooit goed waren geïnformeerd.
De jongste dochter, moeder van uw auteur, overleed helaas al vroeg en haar beide zoontjes verhuisden tijdelijk naar hun tante in huis nummer twee. Ze woonden toen dus in bij opa Miesjl, diens oudste dochter en bijbehorende schoonzoon, Miesjls oudste ongehuwde zoon en Miesjls onderhurende jongste broertje met vrouw en vier kinderen. Met zijn twaalven dus.
Toen de vader van uw auteur daarop hertrouwde, wilde zijn nieuwe echtgenote onder geen beding mede-eigenaar worden van het woonhuis met bakhuis, niet nu en niet later, ze vond het eigenlijk maar een krot. Dus werd dat vermeld als huwelijkse voorwaarde. Opa Miesjl, nog steeds formeel eigenaar, mocht nu niet langer wekelijks in zijn bad, maar hij bleef wel de huur ophalen. De jongens keerden terug in huis één bij hun nieuwe moeder.
Zo duurde het tot opa Miesjl overleed. In zijn testament bleken beide huizen geschat op de waarde ten tijde van het opmaken van de akte. Logisch omdat één van de partijen direct uitbetaald wilde worden. Huis nummer één (met het bakhuis) viel grotendeels toe aan de vader van uw auteur en voor de rest aan diens beide zoontjes, samen erfgenamen van Miesjls jongste dochter; hun pa moest echter wel nog twee andere ‘stammen’ uitkopen. Naar traditie deed hij dat vlak na de ‘zeswekendienst’ (een kerkelijke mis) van opa Miesjl. Het ging inmiddels om wat je nu flutbedragen zou noemen. Een partij accepteerde de envelop, de andere wilde het besteed zien aan onderwijs ‘voor de twee jongens’, een mooie geste. Het bakhuis ging even later tegen de vlakte wegens instortingsgevaar.
Het tweede huis viel op dat moment ten deel aan drie andere ‘stammen’, waarvan er twee het huis al bewoonden: de gehuwde tante en de ongehuwde oom. Die laatste kwam daarop te overlijden, vermoedelijk vanwege een slecht aangelegde geiser in een alsnog aangebouwde douche. Zijn erfdeel, opnieuw een grijpstuiver, werd door alle betrokkenen doorgeschoven naar de gehuwde tante. Toen ook die vervolgens overleed, verkocht haar man het huis met instemming van de nog resterende mede-eigenaar (Miesjls jongste zoon dus) op voorwaarde dat hij er zelf mocht blijven wonen. Ook zij hielden er zo allebei slechts een grijpstuiver aan over. Einde alvast van huis twee.
Hoe ging het verder met huis één? Na het overlijden van de pa van uw auteur bleek zijn tweede echtgenote dus geen huiseigenaar: dat had ze destijds met haar huwelijkse voorwaarden immers bedongen. Alléén kon ze er niet blijven wonen. Dus werd het huis verkocht en van de opbrengst een seniorenappartement gekocht, met zorg (vooralsnog althans, misschien later ook daarover meer als we de afbraak behandelen van socialistische zorgmodellen). Voor de wel ervende beide zonen resteerde zo ook nu weer een grijpstuiver. Einde dus ook van huis één.
Vraag is nu welke factoren deze lotsgeschiedenis het meest bepaalden. Was het de persoonlijkheid van betrokkenen en hun ambities of was het een wisselend conglomeraat van sociaal-economische en sociaal-culturele factoren die we de voorrang moeten gunnen? Wat dunkt u, na het lezen van deze case-study?
Ho, wacht. De broers van Miesjl, oudooms van uw auteur, meldden zich. Zij meenden toch te weten dat Miesjl het huis met bakhuis in 1909 had gekocht in zijn rol van vervangend gezinshoofd, als oudste broer dus. Waren zij derhalve niet mede-eigenaar? En nu dus mede-erfgenaam? Van enige kennelijk mondeling gedane toezegging maakte Miesjls testament geen gewag. Een geval van jammer. Voor hen dus niet eens een grijpstuiver.
Hoe dan ook, het is er niet van gekomen, zo moeten we nu vaststellen, dat familie-imperium. Maar onder wat gunstiger omstandigheden had het zomaar gekund. Graag had uw auteur zijn opa daar nog eens over doorgezaagd. Of misschien ook wel diens moeder, de oud-oma. En niet te vergeten de betrokken oma, Miesjls echtgenote die in dit verhaal node ontbreekt. Tja.
(april 2021)

Terug naar het publicatie overzicht