Schoon is de jeugdtijd, zij komt niet weer. Nee nee …

Schoon is de jeugdtijd, zij komt niet weer. Nee nee …

Biologen definiëren het succes van een levend wezen wel in termen van de levenskansen van diens nageslacht of zelfs van het voortplantingsvermogen van die offspring. Sociologen kijken graag naar de kans dat het nakomelingen lukt om ten opzichte van hun ouders te klimmen op de sociale ladder. Allebei toekomstgerichte succesdefinities dus. Is dat nou wel zo handig?
Je zou op zijn minst ook in omgekeerde richting kunnen kijken naar het reeds door die ouders behaalde succes: hoe stond het eigenlijk met hun levenskansen? Omkijken dus, zij het liefst ook weer niet te ver: teveel oorlog, teveel rampen en epidemieën, teveel onveiligheid.
We oriënteren ons op het meerdimensionale sociologische begrip Lebenslage (vooral niet Lebenswelt) uit Duitse armoedestudies. Het omvat naast opleiding en inkomen ook de woon- en arbeidssituatie en de gezondheid en gaat terug op Marx en Engels. Voorlopig gaan we maar beter niet graven in het gevoelsleven van die voorouders, daar hielden ze zelf toch al niet van, zo lijkt het. We houden het dus even bij het materiële en slechts één generatie geleden, een soort van historisch materialistische invalshoek. Kijken wat voor plaatje dat oplevert.

Investeren in onderwijs
Het was een gelig velletje dun papier, misschien vijf bij zes centimeter. Het zat in een cellofaantje ter bescherming. Op elke schooldag werd er een gaatje in uitgestanst, dwars door het cellofaan heen. Een maand lang door datzelfde velletje. Soms bleef de stans-tang van de busconducteur erin hangen en dreigde die het aan flarden te trekken. Wat er op het einde van de maand van over bleef, dat had moeite om de onderlinge samenhang nog vast te houden. Het zat ergens in je zak en pap, ja pap, die was steeds weer bezorgd dat het zou kwijtraken.
Het was het maandabonnement voor de bus naar school, en pap moest er na afloop van de maand mee naar het gemeentehuis. Daar werden reiskosten voor leerlingen vergoed als de ouders min-, zeg maar nulvermogend waren. Er was ook een jaarlijkse vergoeding voor schoolboeken. Ook de afrekening daarvan was een behoorlijk punt van zorg: het bedrag moest – net als het busgeld – eerst telkens worden voorgeschoten. Dat vroeg om huishoudelijk-budgettaire discipline. Een aantal studiejaren later was er gelukkig een studiebeurs die deels uit een lening bestond, voor het andere deel – ook weer vanwege die minvermogende ouders – uit een werkelijke beurs die niet meer terug betaald hoefde. Wie afstudeerde met een gemiddelde acht, die werd trouwens zelfs de lening kwijt gescholden.
Vakantiewerk
Fortuinlijk geregeld zou je zeggen, maar pap keek er ook nog wel op een andere manier tegenaan. Zo pak weg na je dertiende had je toch ook al het gezinsinkomen kunnen aanvullen bij een minder pretentieuze schoolloopbaan, niet dan? Hij kon het weten: op de fabriek liepen zulke jongelui-in-betaalde-opleiding rond. Zij verdienden al en zoiets was ook pap wel welkom geweest en zo zag hij het doorleren van zijn zonen ook wel als een kostenpost: misgelopen gezinsinkomen. Anderzijds zou zulke werkervaring hopelijk stimuleren om flink je best te doen op school. Reden te meer dus om al vroeg vakantiewerk te regelen voor de jongens. Met een tientje per week en een liter melk per dag had de fabrieksbaas nog wel wat ongezonde karweitjes liggen. Dat gold dus de complete schoolvakantie door, van de eerste tot de laatste week. Het idee van buitenlandse reizen kwam niet bij je op. Na je vijftiende zocht je trouwens zelf verderop vakantiewerk dat veel beter verdiende, al was het minstens zo ongezond. En je droeg daarvan in zulke weken wel huishoudkosten af, je at toch ook thuis mee?!
Wat heet nou arm?
Hadden ze het thuis werkelijk zo arm dan? Wel, het ligt er maar aan hoe je ernaar kijkt. Toen mam wist dat ze al vroeg zou overlijden werd op advies van familieleden haar testament opgemaakt. Vermoedelijk om het woonhuis dat haar alvast testamentair was toegezegd maar dat voorlopig nog aan opa toebehoorde – en waarvoor te zijner tijd dan een broer en een zus nog moesten worden uitgekocht, geen groot bedrag overigens – vast te houden voor de overlevende rest van haar gezin. Het duurste voorwerp dat in haar testament verder vermeld stond, was haar fiets voor een bedrag van vijftien gulden. Spaargeld was er ook nog, te weten voor een bedrag gelijk aan de tweewekelijkse contributie van de vakbond, zorgvuldig apart gehouden in een sigarenkistje, net als de voorlopig nog af te dragen maandelijkse huur aan opa. ’s Zondags ging het gezin plechtig naar de kerk, ‘met hoed, stok en ring’. Zo kon je demonstreren dat het heus niet slecht met je ging, voor de buitenwacht.
Geoefende handarbeid
Pap was eerst nog het hulpje van de stoker op de fabriek, zeg maar de kolensjouwer. Daarvóór had hij per fiets boodschappen uitgereden voor de lokale coöperatie en was hij overhoop geschoten bij de verdediging van Den Haag. Gedwongen had hij de verdere oorlogsjaren in de Duitse metaal gewerkt, zelfs een diploma elektrisch lassen gehaald. Naar de ulo had hij meteen al niet gemogen toen zijn vader geen werk kon vinden in de jaren dertig. Restte na-oorlogs niets dan ‘geoefende handarbeid’, het sociologisch laagst denkbare niveau.
Als pap thuis kwam, zat het kolengruis vooral rond de randen van zijn ogen geplakt en in twee donkere strepen onder zijn neusgaten. Douchen op het werk kon niet en thuis gebeurde het maar eens per week. In een soort schooltas nam hij ’s ochtends – of eigenlijk was het nog nacht: de textielfabriek moest immers voorverwarmd zijn als de eerste wevers begonnen – zijn boterhammen en de krant van de vorige dag mee en stevig gevuld kwam die tas weer mee terug. Nu met aanmaakhout, gesprokkeld bij de fabriekstimmerman en bedoeld voor het kolenfornuis in de keuken.
Stoken
Dat kolenfornuis had een centrale rol: geen andere kamer in huis werd verwarmd en deze weer wel het hele jaar door, want er werd ook op gekookt en in gebakken. Dat gebeurde met ‘sjlaam’, een vochtige prak van kolengruis, vrijgekomen bij het wassen en persen van ‘eierkolen’ voor de handel. Goedkoop spul dus. Die sjlaam werd via een keldergat vanaf een paardenkar in een grote kist geschept. In emmerporties moest het twee verdiepingen naar boven worden gesleept richting fornuis en moeizaam met houtjes en kranten worden aangestoken. De as ging dan later weer naar beneden.
Als pap van zijn werk thuis kwam en de warme hap in de man zat, sliep hij alvast een uurtje. ’s Winters deed hij dat op een veldbed, uiteraard in de verwarmde keuken. Stil wezen dus. Was hij wakker, dan werden vaak de resten van de warme maaltijd opgewarmd voor een tweede ronde. En daarna weer vroeg naar bed. TV was er natuurlijk nog niet, net zo min als telefoon, een auto of een wasmachine. Dat kwam later pas (behalve de auto), na eerst nog de koelkast en het elektrische strijkijzer. Vooralsnog werd de was in de kelder met butagas tot tegen de kook gebracht in een groot soort teil.
Toen de paters van de middelbare school duidelijk hadden gemaakt dat hun leerlingen geacht werden, thuis nog zeker twee uur rustig huiswerk te maken, werd dat een heel thema. ’s Winters werd de keukendeur naar de koude woonkamer na schooltijd opengezet zodat de jongens daar aan hun huiswerk konden. Die hadden er dan naast hun lestijd (vrijvallende uren waren er per definitie nooit, dat werden altijd studie-uren) al twee volle uren rijtijd in trage dieselbussen op zitten. Van een thuisontvangst met thee en koekjes is nooit vernomen.
Vooruitgang
Op fabriek werd overgestapt van kolen op olie: stookolie, dik als stroop die in de wintermaanden met dunne olie op temperatuur moest worden gebracht, wilde hij niet in de leidingen vastkoeken. Pap werd intussen ‘eerste stoker’. Dus was voortaan het weerbericht van groot belang, een weerbericht dat eigenlijk nooit paste in deze streek. Met Kerst en Nieuwjaar werd geluisterd naar Duits, Nederlands én Belgisch vriesweerbericht om te bepalen of pap op die feestdagen niet toch een aantal uren moest gaan bijstoken in de fabriek. Hij zou er tot het faillissement werkweken van minimaal zestig uren maken, te beginnen tussen vier en vijf en ook weer eindigend om vijf.
Die overgang naar olie was voor hem een enorme verbetering. Kon dat niet ook thuis? In de woonkamer werd een oliekachel geplaatst, in de kelder vijf olievaten op elkaar gestapeld, op zolder een aanvoerend voorraadvat gehangen. Op zondag ging die oliekachel aan. Bijvullen op zolder was een mooie klus voor de oudste. Die zeulde wekelijks met een zware jerrycan van kelder naar zolder. Wat de brandweer van deze constructie had gevonden? Het is haar nooit gevraagd.
Minimalisme
Voor de jongens was er een slaapkamer die behalve het bed en een kleerkast geen meubels bevatte. Wel hing er één affiche, met verkeersregels. Het kon er flink heet worden, zo onder het dak, in de zomer. En bitterkoud ’s nachts in de winter bij gebrek aan verwarming. Vriendjes of klasgenoten kwamen vrijwel nooit binnen en je kwam ook eigenlijk nooit bij hen thuis. Er waren geen verjaarsfeestjes, wel naamfeest, maar zonder genode vriendjes. Je ontmoette elkaar buiten en dat buiten was ruimschoots voorhanden; tegenwoordig betalen toeristen forse sommen om er een weekendje of midweek te mogen ronddwalen, bij de vijvers en de grensoverschrijdende wandelbossen. Je speelde met gemak meer dan vijf kilometer van huis, zonder afspraken over waar je zou zitten, de kerkklokken vervingen een horloge, bos en veld waren veilig, of eigenlijk dacht daar niemand over na. Nou ja, op wat gewonde kameraadjes na, achteraf. Drie klasgenootjes zouden zich op hun zestiende bij verschillende gelegenheden dood rijden met hun brommers, dat weer wel.
Na een langdurig doodzieke moeder volgden tamelijk vrolijke jaren bij een tante in een huishouding waarin zes gezinsleden het moesten doen van anderhalf minimuminkomen.
Stief
Na het tweede huwelijk van pap was er een ijverige en goedbedoelende stief. Ze had in de jaren daarvoor een winkel gerund in stoffen en fournituren. Daar had ze ook spaargeld aan overgehouden, dat ze nu notarieel buiten het huwelijk hield. Pap zou dat geld later met steun van de notaris van haar lenen voor een noodzakelijke renovatie. Bij zijn overlijden bleek er een extra spaarboekje te zijn, waarmee die lening weer kon worden voldaan. Geheel ondenkbaar was intussen voor pap dat deze mam ook na het huwelijk zelf een baan zou nemen: dat had zijn vrouw heus niet nodig, hoor.
Helaas ervoer deze tweede mam de eerdere zorgtante als een concurrerende pleegmoeder, waarop de meeste oude familiecontacten plotsklaps no-go werden. Gevolg van een empathietekort zou je nu zeggen; het hakte er in ieder geval emotioneel stevig in, aan weerszijde, net als het verbannen van fotoalbums uit de eerdere levensfase van de kids. Kennelijk ontbrak – behalve wat betreft de onderlinge eigendomsverhoudingen – ook elke verdere gezinsbegeleiding, laat staan wijze en doordachte ondersteuning. Laat dat dan maar een mogelijk excuus zijn.
De sociologische mobiliteitsladder schiet tekort
De studie, zeg maar de mobiliteitskans, die werd met veel gelukkig toeval een succes. Twee jaar voor het afstuderen was er al een fulltime beginnersbaan met een inkomen, dubbel zo hoog als dat van pap. De gemiddelde acht leverde een cum laude op, maar belangrijker: die reduceerde de studieschuld tot nul. Het feest bij de latere promotie zou resulteren in het herstel van oude familiebanden.
Gegeven het startplatform thuis was het natuurlijk geen kunst om een forse plus te halen op de intergenerationele sociale mobiliteit. (Op de foto legt pap het idee van die ladder uit aan collega’s.) De vijf jongelui uit een volgende generatie stegen daarentegen ondanks hun academische opleiding juist weer helemaal niet op die toch wel dubieuze sociologieladder. Hun jeugd verliep echter wel in relatief gefortuneerde omstandigheden.
Hoe het – nog weer een generatie verder – straks de kleinkinderen zal vergaan, dat hangt voorlopig nog. Hun kans om sociaal te stijgen ligt statistisch al net zo bij nul, maar hun omgeving, hun jeugd vloeit behoorlijk over van de luxe. Naar hun welbevinden wordt hen vaak gevraagd, naar hun verhalen wordt geluisterd. Bij sores is er alom hulp. Misschien is dat alles op zichzelf toch ook een soort levenskans in sociologische termen, ongeacht wat er nog op zal volgen en op welke trede van de ladder het ooit eindigt. De ladder alleen geeft onvoldoende beeld.
Hoe dan ook, met die eerste generatie voorouders, daar wil je toch beslist niet mee ruilen. Gelukkig hebben ze op hun oude dag goedkope buitenlandse vakanties ontdekt waarvoor ze nijver wisten te sparen. Het nieuwe zwembad bleek vlakbij, ze namen een theaterabonnement en er was veel tijd om te wandelen met vrienden. Hoe ze intussen zelf op hun eerdere levensfasen terugkeken en vooral, hoe zij op hun beurt terugkeken op het lot van hun eigen ouders, daarover zijn ze helaas niet tijdig ondervraagd. Ze veranderden weliswaar niet van sociale klasse, maar wel van Lebenslage. Dat is de mate waarin de omstandigheden van buiten af ruimte laten voor het vervullen van je meest basale behoeften (Weisser, 1978). Hou dat vast.
(sept22)

Terug naar het publicatie overzicht