‘Sinterklaas en Vieze Piet; werkopdracht krietiese soosjologie’

‘Sinterklaas en Vieze Piet; werkopdracht krietiese soosjologie’

Hoe nodig hebben we etniciteit in onze kritische gereedschapskist, laat staan gender? Kerk en klasse-analyse, dialectisch-sociologisch toch al behoorlijk complex, niettemin werd het ons in hoofdlijnen helder: clerus en bezitsklasse spannen samen in ver- en ontvreemding. Archetypisch: de één houdt ze dom, de ander arm. ‘Ze’, dat is dus het interculturele werkvolk, zeg maar de mondiale ‘onderklasse’ die haar onderschikking verinnerlijkt, zelfs reproduceert en daarmee ‘selbstverschuldet’. De vraagstelling voor ons nieuwe werkstuk luidt: is dit pact van kerk en arbeid, clerus en werkvolk, theoretisch daarmee afdoende getypiseerd? Of actueler:  is de recente etnisch-historische invalshoek essentieel-verrijkend of juist misleidend-overbodig bij onze kritische Theorie? (Met alleen verbale categoriseringen gaan we het straks niet redden, mensen, bij het tentamen ‘politieke economie’. Elaboreer zoveel mogelijk en denk multidisciplinair: gesellschaftswissenschaftlich.) En laten we niet wéér gender onbeproefd laten, ja, ik weet het nu.
Om de verhouding tussen clerus en de werkmens met ‘völkisch erklärende Vernunft’ grondig te deconstrueren, ontlarven en demystificeren, vertrekken we exemplarisch bij wat de burgerlijk-naïeve Volken- en Cultuurkunde ‘Het Sinterklaasgebeuren’ noemt. In schijn een simpel kinderfeest. Wat zich daar op het eerste oog puur phenomenologisch manifesteert, is een knecht die de disciplinering van zijn eigen uitgebuite klasse vrijwillig ter hand neemt door een mengeling van fysieke dreiging (de roe) en verleidelijk strooisnoep (pepernoot). Materialistisch gezien doet de Piet dit niet op eigen gezag of uit eigen kapitaalcreërende autonomie, maar in afgeleide hoedanigheid, daarmee genotzuchtig de objectieve achterstelling over zijn nakomelingen afroepend en tegelijk ‘Heerlijk’ dienstbaar in zijn status van lijfeigene of ‘knecht’. De verinnerlijkte verdingelijking en vervreemding kortom van Zwarte Piet, in de actuele moderniteit steeds vaker, wij moeten dat ook emancipatorisch durven labelen: Vieze Piet.
Dit kinderfeest staat dicht bij het volk en leent zich voor verstehende analyses op een dialectische fundering met oog voor de jongste moderniteit. Geconcretiseerd: de werkende klasse herovert in die moderniteit feitelijk – zich daarvan uiteraard zelf nog niet bewust, integendeel, zich daartegen valselijk verzettend – geleidelijk de haar objectief toekomende positie op de etnische (nu nog) minderheid die al een eeuw lang onbewust de haar opgelegde en inmiddels verinnerlijkte framing bedreigd voelt, als zou slavernij bedingungslos samenvallen met de creoolse etniciteit, een framing die wij al evenzo ontmaskeren als vals historisch bewustzijn: de subjectief vervreemdende kern van een fundamenteel niet-dialectische analyse van – in dit exempel – het historisch gegroeide Zwarte Piet-syndroom. Feitelijk bestaat de loonslaaf niet eerst sinds de vaart op West-Indië. De ontvreemding van de arbeidskracht en de complementaire zelfmisleiding van de onderliggende klasse is – we herhalen het maar weer – grundsetzlich universeel. Erkenntniss één, zeg maar.
Tips nu voor exemplarisch-lerende adstructies: hoeveel Texelse jongelui werden in de negende eeuw door Vikingen verhandeld in Constantinopel; wat overkwam westeuropese bevrijders van het Heilige Land, toen hen de hongerklop inhaalde op hun voortijdig vastgelopen kruistochten? Raakten zij niet ook op locatie verslaafd aan de verleidelijke onderdrukking door de aldaar juist multicultureel gekleurde bovenbazen van hun tijd? Waarom lieten tienduizenden huursoldaten zich door de Oranjes de dood in vechten voor idealen die nu nog niet duidelijk zijn? Niet kleur dus, maar klasse is hier de enig valide analysecategorie. De Amsterdamse grachtengordel is minstens zozeer over de ruggen van Henk en Ingrid gebouwd als over die van hen die onvrijwillig een immigratie-achtergrond kregen, toen de Kalinago en hun Kalipuna ginds slecht gesocialiseerd bleken voor plantagewerk. Dat is het in vergetelheid geraakte fundamentele inzicht nummer twee.
Fazit: het van buitenaf opgedrongen alleenrecht op de onderschikkende Pietenrol ligt inderdaad niet bij hen met een recente immigratieachtergrond in waterland. Nee, allen die, platweg, na hun vuile, onderbetaalde, ongeschoolde en ongezonde werk niet aan geparfumeerde zeep toekomen, komt in de moderniteit de potentiëel antagonistisch-emanciperende rol toe van ‘Vieze Piet’. Merk op: dialectisch wordt zo de etnische inclusiviteit van het klassebegrip noodzakelijkerwijs hersteld en tegelijk van zijn historisch-etnische balast ontdaan. In haar eigen vervreemding (“bestrijding racisme”) streeft het donkere deel van de lagere klasse deze emancipatie weliswaar ook na, maar op valse gronden, zonder zicht op hoe zich historisch ‘Hegels objectieve geest‘ autonoom realiseert.
Nog net niet te laat nu voor inbreng vanuit Vrouwenstudies.  Naast of liever bovenop klasse en etniciteit domineert zij immers met haar ‘gender’. Maarten ’t Hart, naïef vorser van Hollands volkse tradities, heeft het vrouwenaandeel in de Pietenrol Freudiaans geproblematiseerd. Hij benoemt de erotiserende kant van de ongewassen vrouwelijke arbeider, psychoanalytisch: de voortplantingsgerichte verleiding die het jonge arbeidersmeisje uitstraalt dat zich een valse identiteit aanmeet achter donkere schmink om dan met zweep of roe te dreigen en met gedwongen landuitzetting. In haar emotionele onrust vanwege de ogenschijnlijke uitbraak uit haar klassepositie smijt zij tegelijk met zoetigheid. Hoe passen we deze primitieve vrouwelijke umfunktionierung van Vieze Piet in, in onze historisch-materialistische klasseanalyse? En welk inzicht houden wij hieruit dus vast over de biologische reproductie van de zich onderschikkende klasse?
Op deze plek brengen we ter illustratie een persoonlijke uitweiding in over een collega die, aan haar ronde vormen en geur, een jonge Piet meent te herkennen uit de typekamer, die hem dreigt met een gezamenlijke reis naar Spanje. Waarop hij gretig inhaakt (antagonistisch; revolte!) en belooft dan zelf voor de zak te zorgen (zelfonderdrukking?), wat bij zijn even in vergetelheid geraakte, maar scherp observerende ega op onbegrip stuit (let op de vervreemdende belangentegenstelling die voortvloeit uit de kapitalistisch opgelegde gezinsdwang) en hun beider kind een voortgezette Klaasviering kost (aanleiding tot latere sublimatie). (Zoek vooral ook naar jouw eigen verhelderende exemplarische ervaringen.)
Helaas komen we nu dus weer niet toe aan het klassevijandig opereren van de clerus, die, behoudens zijn kinderlijk-idolate hang naar de Heilige Maagd, doorgaans zijn ongezonde belangstelling richt op het mannelijke werkvolk, maar daarvoor juist in die Sinterklaasrol de ruimte niet vindt door zich te hullen in de schaapskleren van een geriatrisch tekort aan vitaal testosteron (het kapoensyndroom). We komen daar dus op terug, hou dat vast voor een volgend werkstuk. Dan deconstrueer ik dus ook wat jij daar nu zo ontzettend ondoordacht inbrengt: de symbolische schimmel onder de Goedheiligman.

Terug naar het publicatie overzicht