Teacher bashing – Hoezo? Of: Misverstand School. Of anders: het onvermogen der didactici

Teacher bashing – Hoezo? Of: Misverstand School. Of anders: het onvermogen der didactici

Uw auteur heeft relatief veel naaste familieleden die werkzaam zijn in het onderwijs. Overwegend sympathieke lui die alle hard werken en bepaald idealistisch. Toch heeft hij heel wat gepubliceerd dat in de buurt komt van lerarenkritiek. Hoe dat zo komt, dat heeft hem wel aan het denken gezet. Is het wel gerechtvaardigd? Tijd nu, om op de divan te gaan en publiekelijk te reconstrueren, waar dat nou toch vandaan kan komen.
Dat hij op de ‘bewaarschool’ op schoot van een non in zijn broek plaste en haar zo onverwacht een warm gevoel bezorgde in haar kruis, wat ze nadrukkelijk zei, niet op prijs te stellen, dat ziet hij niet als een oorzaak. Dat er op de beide jongensscholen waar hij lager onderwijs volgde, met dagelijkse regelmaat klappen vielen, zo niet complete kloppartijen plaats vonden tussen onderwijzers en leerlingen, dat misschien wel, maar zelf kreeg hij nooit klappen. In tegendeel, hij eindigde (met 4 uit 42) in de geprivilegieerde rij die werd voorbereid op het toelatingsexamen Hogere BurgerSchool (HBS), hoewel er thuis alleen een enkel (kook)boek was en hij aldoor nooit een museum of theater bezocht en op sport-, zwem- noch muziekles zat. Dat een klasgenoot met stotterproblemen elke dag een eerste voorleesbeurt kreeg en dan demonstratief voor schut werd gezet door de hoofdonderwijzer, het maakte wel veel indruk, maar raakte hem zelf dus niet. Wel was er oom Jozef met alleen lager onderwijs, die elke week een nieuw leesboek voor jongens aandroeg en daarmee een voor het thuismilieu zeer ongewone leesdrift voedde.
In de eerste wiskundeles bleek uw auteur – tot groot leedvermaak van de nieuwe klasgenoten – niet te hebben leren rekenen met cijfers beneden nul. Het was in twintig seconden opgelost maar het hoongelach bleef nagalmen. Een aardrijkskundeleraar dwong een klasgenoot, steeds achterstevoren te gaan zitten omdat de leraar ‘diens gezicht niet aanstond’: het standaard op vrolijk staand gezicht maakte de docent onzeker, dat zal heus wel de verklaring zijn geweest.
Op grote sympathie mocht de scheikundeleraar in eerste instantie rekenen in het tweede jaar HBS: hij behandelde ‘de wet van constantheid in anarchie’. Dat was in de toen opkomende provotijd wel heel interessant en spannend. Het duurde weken voordat uw auteur in de gaten kreeg dat de man een scheefstaand neustussenschot had en zeer nasaal praatte. Het bleek ‘de wet van constantheid in energie’, helaas. Later zou diezelfde leraar tijdens het mondelinge proefexamen willen praten over het ‘systeem van elementen’ dat uw auteur toen niet kon boeien; hij had belangrijker dingen te doen, zoals het wekelijks organiseren van Spuugh, een jeugdsoos. De leraar dacht vermoedelijk, nu duidelijk te hebben gemaakt, waarover hij het zou hebben bij het officiële mondeling. Dat deed hij namelijk, hoewel uw auteur juist is de veronderstelling verkeerde dat hen beide toch duidelijk was dat dit geen succesnummer zou worden. Een dikke onvoldoende dus. Natuurkunde wilde al evenmin lekker lopen. De natuurkundedocent las onverstoorbaar voor uit zijn zelf geschreven leerboek dat vanuit zijn vlak voor de klas geplaatste stoel gezien, ondersteboven lag op de lessenaar van een leerling voorin de klas. Die leerling was zowat de enige die zich tijdens de les wel moest gedragen. Uw auteur onthield: “als begin- en eindsituatie gelijk zijn, is de verrichte arbeid gelijk nul”. Dat bleek inderdaad nog heel vaak waar, later.
De stelling dat het werk van Jan Wolkers uitdrukking is van een gestoorde pubertijdsontwikkeling tijdens de oorlogsjaren, die heeft uw auteur fors geholpen bij het eindexamen. Ze kwam de katholieke leerkrachten zeer van pas bij het tolereren van dit soort moderne literatuur. Een korte verplichte retraite bij de Jezuïeten in Spaubeek leverde het inzicht op dat ‘de rijken van geest vaak door geloofstwijfel worden gepijnigd, waaraan ze de minder begaafden niet deelachtig moeten maken’. Dat uw auteur, om zijn huwelijksgeschiktheid te bezien, zijn genitaliën moest laten bevoelen door een van de paters, kreeg verder geen vervolg. Of het ook bij klasgenoten daarbij bleef, geen idee. Het grote aantal gezakten bij het eindexamen zou tegenwoordig tot misbaar leiden.
De katholieke universiteit eiste dat alle sociaalwetenschappers bij hun kandidaatsexamen kennis hadden van de katholieke ethiek. ‘Stel u voor: een jonge vrouw die zegt, helemaal gelukkig te zullen zijn als ze moeder zou worden. Dat die toen inderdaad moeder werd en zei, nu gelukkig te zijn. Zou ze ook echt gelukkig zijn?” De hoogleraar, Augustijner pater, stelde al jaren die vraag en het correcte antwoord was uw auteur daarom bekend: “Dat hangt er maar van af of ze het juiste geloof heeft.” Geslaagd. Ruim de helft van alle eerstejaars was toen al zoek.
Voor een didactische aantekening ‘maatschappijleer‘ was er aanwezigheidsplicht. De hoogleraar ‘algemene didactiek’ verbaasde zich erover dat de handtekeningenlijst die rondging zoveel langer was dan hij op grond van het aantal zichtbare aanwezigen zou verwachten.
Tijdens zijn academische opleiding heeft uw auteur nauwelijks gewerkt met het instrumentarium dat even later onmisbaar was voor zijn vak: de hele universiteit had maar één (!) computer. Die werd beleverd met ponskaarten, achterop de fiets, door een ‘programmeur’, die de gewenste kruistabellen vaak al ‘binnen een week’ (sic) wist te leveren. Codeurs zetten schriftelijke vragenlijsten met een codeboek om in codelijsten die daarna door ponstypistes werden ingetikt op ponskaarten, die gevaarlijk vaak stuk gingen en dan moesten worden overgetikt. (Tel de foutenbronnen.) Het verslag van de analyses werd handgeschreven en door typistes ingetikt op ‘moedervellen’ die weinig correcties toelieten en er na pakweg honderd stencilafdrukken de brui aan gaven. De eigenlijke beroepsopleiding vond plaats ‘on the job’ met opnieuw veel uitvallende aspirant-collega’s, jaren later pas resulterend in een eigen elektrische typemachine met correctietoets, nog weer jaren later ook een heuse eigen PC.
Is dat alles nou voldoende verklaring voor herhaalde teacher bashing? Of is dat toch het moeizaam onderzoekmatig bewezen tekort aan professionaliteit en tegelijk de irreële, niet-aflatende hoop dat zij wel de sleutelrol zouden kunnen spelen die heel veel onderweg uitgevallen reisgenoten net zo’n interessant beroep en aangenaam ‘life-span-income’ had kunnen bezorgen?
‘Nooit noot nooit, nee ik wil nooit, terug naar die rotschool, lekker swingen in de disco’ zo zingen Herman Brood en Sjef van Oekel in zowat het enige Hollandse rocknummer dat door de Nederlandse radio al een half uur na het uitkomen werd wegverbannen naar de vergetelheid. Uw auteur zal toch niet een taboe doorbreken, hier?  

Terug naar het publicatie overzicht