‘Twee herbergiers tussen Orsbach en Vijlen: Leonhard Joseph Jungbluth (*1806) en Johann Pieter Radermacher (*1802)’

Het was de opzet van Frater Lambertus van de Bededictijnenabdij in Mamelis om de geschiedenis na te pluizen van het klooster. Hoewel, dat klooster had veel minder geschiedenis dan de Mameliser hoeve waar het historisch bij hoorde. Lang geleden was dat een van de keizerlijke bevoorradingshoeven rondom Aken ten tijde van Karel de Grote. Op die hoeve huwde ooit de oudste knecht Radermacher met de plotse weduwe van de eigenaar. De uit die nieuwe combinatie geboren kinderen zouden nooit de hoeve kunnen erven, kregen daarvoor echter wel een kleine boerderij, schuin aan de overkant, het latere Hotel Piethaan (Nu: De Drie Landen).
Bij het napluizen van de opeenvolgende  generaties Radermacher stuitte de monnik tot zijn verbazing op een andere Mameliser herbergier met de naam Jungbluth. Dat bleek bij nader inzien een overbuurman te wezen, herbergier van Het Witte Huis. Vooraleer die complicatie ontward was, leek Lambertus’ administratie even knap in de war: hij kende Jungbluth alleen van een uiterst recente combinatie Jungbluth-Radermacher. Reden om familiale hulp in te roepen. Inderdaad, jawel: beide waren afstammelingen van de respectieve families. Zo ontstond het idee van een complete familie-saga, daar op de vierkante kilometer.

Ongevraagde intimiteiten en bloedvermenging
Twee herbergiers tussen Orsbach en Vijlen: Leonhard Joseph Jungbluth (geb. 1806) en Johann Pieter Radermacher (geb. 1802)’ bevat alle ingrediënten voor minstens twee eeuwen Mameliser familiesaga op de heuvelachtige hectare, daar waar Nederland klem zit tussen België en Duitsland en waar het Ripuarisch voor analfabetisme werd aangezien (en nog). We gaan straks familiegeschiedenis vastleggen voor de (klein-)kinderen.
Al zeker tweeduizend jaar vragen hier langs de Selzerbeek (eigenlijk Velserbeek, zie elders op deze site) doortrekkende legers de weg en laten er heus niet alleen de paarden drinken. In hun spoor het vrouwvolk dat zich generaties lang inlaat voor ‘visematenten’. Ongevraagde intimiteiten en bloedvermenging in overvloed.
Nu weer eens in het Nederlands, dan weer in het Duits deden die familiale voorvaderen aangifte bij de Vijlense dan wel Orsbacher pastoor, van even zo makkelijk snel weer overleden nakomelingen, meestal ondertekend met een kruisje; hun naam spellen was er vaak niet bij.
Verhollandisering en lagere lonen
Onder het regime van Willem I hebben de beide vaders van deze herbergiers (‘oudbetovergrootvaders‘) toegekeken hoe – zeven of acht  generaties geleden – voor hun voordeuren de Akense Steenweg (1824) werd aangelegd, die Maastricht verbond met Aken en zo de lokale economie moest aanjagen en verhollandiseren. Andere zoons hebben op die aanleg toegezien. Uit Aken verdreven protestantse ondernemers deden er met het onder hollands gezag lagere dagloon voor katholieke textielarbeiders en koperslagers hun voordeel mee. Betovergrootvaders planden er een tramweg langs en richtten er de eerste ‘Rooms-Katholieke Vaalser Bezuinigingspartij’ (1931) op in een ‘vooroorlogse’  Duitssprekende Nederlandse gemeenteraad.
Stoere verhalen verteld door Karel de Grote
Trouwens: sprak Karel de Grote in zijn tijd werkelijk plat Ripuarisch (zoals Jochen Laschet concludeert in zijn presentatie over Karels intellectuele dienaar Alcuinus voor de historische vereniging Sankt Tolbert) als hij hier voor een soepje en een kopstoot binnen wipte tijdens zijn stoere wandelingen rondom de Rijksstad Aken en haar later grensoverschrijdende ommelanden? Zette hij hier tot vervelens toe een boom op over de vorderingen van de bouw van zijn Akense Dom? Bleef hij ook hier niet van de dames af? En de gevolgen? Ha! Familiegeheimen, lang nog doorverteld of juist doodgezwegen.
Sjiebe, sjiebe langs die Völser jrens.” (Tekst Vaalser carnavalslied.)

Terug naar het publicatie overzicht