Vaals-an-de-Jau is supertrots op vestiging Nationaal Historisch Museum (NHM)

Vaals-an-de-Jau is supertrots op vestiging Nationaal Historisch Museum (NHM)

Lange tijd hing het nog: zou Vaals er inderdaad in slagen om met nationale en internationale steun de trotse huisvester te worden van Nederlands eerste en voorlopig enige Nationaal Historisch Museum? Een kwart eeuw burgemeesters met een achtergrond van historicus, dat legde Vaals geen windeieren. Apetrots en met herstellend zelfbewustzijn toont zich nu de internationale Vaalser burgerij. U leest hier dus voorpaginanieuws.
Landelijk was het plan voor zo’n museum ondanks brede Haagse politieke steun lange tijd onuitvoerbaar gebleken. Een museum dat een overzicht zou tonen van de Nederlandse geschiedenis in samenhang, naar voorbeeld van het Duitse Haus der Geschichte in Bonn en Leipzig. Toen Vaals overtuigend had aangetoond dat de jaarlijkse toeristenstroom daadwerkelijk portiegewijs het hele land op deze unieke plek samenbracht, veelal gezinnen die recreatie en opvoeding met liefde wilden combineren, een plek die bovendien in alle mogelijke opzichten illustratief en exemplarisch bleek voor onze nationale Werdegang, toen was ‘de kogel door de kerk’ (overigens ook letterlijk een van de thema’s in de permanente tentoonstelling). Naar voorbeeld van de Stichting Gezamenlijke Projecten Haagse Musea hebben de directies van alle grote Nederlandse musea zich samen sterk gemaakt voor de vestiging in Vaals. Steun van de Raad voor Cultuur lag er in wezen al en alle leden van de door Minister Plasterk eertijds ingestelde Raad van de Stichting Nationaal Historisch Museum hebben juichend hun instemming betoond. Arnhem, dat eerder kandidaat was, raamde de stichtingskosten op 50 miljoen euro en de Minister reserveerde voor de jaarlijkse exploitatie 12 miljoen. Nu de stad Aken vanwege haar erkende rol in Neerlands historie een vinger in de pap krijgt, steunt zowel de oude Rijksstad als de gebürtige Minister-President Armin Laschet van Noordrijn-Westfalen het Vaalser project, inhoudelijk zowel als budgettair.
De opstellers van de permanente drietalige tentoonstelling hanteren als uitgangspunt dat de biografie van personen, instellingen en overheden een aaneenschakeling is van dilemma’s en ambivalenties die altijd weer resulteren in onbevredigende tijdelijke oplossingen. Alleen een eerlijke, naar alle invalshoeken open mind aanpak kan de historie recht doen met al haar wisselingen van voor- en tegenspoed, slimme en domme stappen, macht en verweer, hoog- en volkscultuur, intended as well as unintended consequences, rijkdom en armoe. En steeds weer wordt hier de nationale ontwikkeling gespiegeld aan die van de regio met oog voor het lokale pre-europese grensoverschrijdende bewustzijn.
Uiteraard besteedt het NHM permanent aandacht aan de Tachtigjarige Oorlog die verderop bij Mamelis een aanvang nam na Willem van Oranjes vergeefse bedreiging van de Rijksstad Aken en die hier vervolgens wel een heuse eeuw voortduurde vanwege raadspensionaris De Witts gereformeerde verlangen om voor Akense geloofsgenoten in deze Hollandse uithoek van de Rijksstad de Vaalser gereformeerde kerkgang mogelijk te maken. En zelfs de pogingen tot heiligverklaring van de moordenaar van diezelfde Willem vinden in dit ruimdenkende museum een respectvolle plek.
Kenmerkend voor Neerlands moeizame omgang met zeg maar de sociale invalshoek (denk aan Ruttes discutabele bewering als zou Nederland een duurzame sociaaldemocratie zijn) is de aandacht voor het thema slavernij, de mensenhandel uit economische gewinzucht. Bepaald verhelderend is de getrokken parallel tussen slavenhandel en de uitbuiting van het lokale arbeidersvolk die als tegenhanger grootse investeringen mogelijk maakte in zowel grachtenpanden ginds als lokale megalomane historische panden alhier, steeds weer ten nadele van volkse welvaart. Illustratief is ook de aandacht voor de lokale opkomst van arbeideristische vakbonden en coöperaties in een soort katholieke actie avant la lettre, ooit een voorbeeld voor de latere vakbondsinitiatieven elders in Nederland.
In samenwerking met zowel het Amsterdamse Meertens Instituut als het Leidse Museum voor Volkenkunde is er ruimschoots aandacht voor het onuitroeibare multiculturalisme in Neerlands historie. Een bijzondere plek krijgt daarbij het voortleven van de regionale volkse tegencultuur onder de titel Wodeetdatdatva, wiekrietdatdatda (‘Waar doet ze dat van, hoe krijgt ze dat dan’). Vaalser volksliedjes met een ondeugende ondertoon worden hier ingestudeerd met bezoekende schoolreizigertjes in een poging om verwrongen taboes in opgroeiende generaties tijdig af te wenden (’t vlooch ’n vot no j’n daach erop, die woar mit hoddele opjesjtopt’ of ‘in ’t votloach is ´t duuster, in ’t votloach brent jee lit’). De volkse traditie om door kerkverboden bedreigde libertaire vrijheden desnoods sluiks in gedachtenis te houden via bijnamen als ‘d’r iezere hempsjlip’ of ‘d’r zeem an der kuul’ of straataanduidingen als ‘’t lieb-ecke’ of ‘hänger Herjots’ vot’ illustreert de alledaagse volkse afkeer van zowel katholieke als hervormde bekrompenheid. Of hier ook aanverwante, naar de fysieke bevrijding van hun aberraties zoekende regelovertreders in het priesterambt een museale plek zullen krijgen, dan wel juist in de zaal die gereserveerd staat voor de permanente stroom regelovertreders en volksbedriegers in de Nationale bestuurdersgeschiedenis, dat staat nog te bezien.
Een apart budget is gereserveerd voor het in herinnering roepen van de vaderlandse religieuze diversiteit in historisch perspectief. Zo wordt gedacht aan een opfrisbeurt van de lokale Mennonietenkerk en de beide Vaalser joodse synagoges. De bestaande wandelroutes langs Vaalser Struikelstenen worden en richting het Joodse kerkhof worden verder uitgebreid langs de rijke architectuur die Joodse winkeliers bijna een eeuw geleden uit Aken naar Vaals brachten in een mislukte poging om aan groter onheil te ontkomen.
Wat nationale grenzen zoal doen met religieus verkeer, belastingtrucs, informele bloeduitwisseling en zwart-geldstromen, hoe het feitelijke leven gestalte krijgt langs nationale buitengrenzen, ver weg van bestuurscentra, dat is ook wezenlijke thematiek voor het Vaalser NHM. Een voorbeeld daarvan is de aandacht voor de (informeel-)economische betekenis van vreugdehuizen (lokaal betiteld als puff, zeg poef), in een lange traditie teruggaand tot de lokale vrijgevochten massagezalen en badhuizen voor Romeinse soldaten in voor-Neerlandse tijden. Dat alles wordt ook telkens in een format gegoten dat gekoppeld is aan buiten-wandelingen, in dit geval langs oude opgravingen en hypermoderne verwarmde buitenbaden. Ook een bezoek aan Prins Hendriks Vijlense liefdesnestje (met opties voor casinobezoek en een rit in een met acht paarden bespannen koets) staat op het wandelprogramma als onderdeel van de op hemeltergende vrouwengeschiedenis gerichte, somber ingeklede Anna Schmetz-zaal.
Het zijn al net zulke buitenwandelingen die vooral de jeugd vertrouwd moeten maken met de industriële revolutie die nog vooraf ging aan de komst van de stoommachine. Vooral de door waterkracht aangedreven Europa-brede textielindustrie die zich in deze inventieve regio ontwikkelde met haar langs glooiende heuvels geordende afvoer-vertragende vijvers nodigt uit tot een combinatie van stevige wandeltochten met essentiële kennisverwerving. Dit alles aangevuld met verhelderende uiteenzettingen over de nu weer actuele watervertraging in reactie op klimaatverandering. Zo bewijst het museum zijn modern-pedagogische functie.
Melden we hier – bijna tot slot – de samenwerking met de vaak vergeten Deutsche Gemeinschaft in het aangrenzende deel van België. Haar vooral trieste lotgevallen, toen internationaal statenoverleg een eigen onafhankelijk staatje afdwong vanwege een door hen allen begeerde tinmijn, waarop het Drielandenpunt een Vierlandenpunt werd, die vormen slechts een historische tussenschakel tussen de neergang van Koning Willems hertogenstaatje Limburg (met eigen vertegenwoordigers in de Deutsche Bund) en de recentere fase waarin Duitstalige bewoners het Belgische stemrecht werd ontnomen. Gelukkig valt er hier ook veel zoets te berichten en smaakvols: zolang onderwijs er zich niet mee bemoeit blijft de intergenerationele overdracht van keukenervaring gelukkig gestand. Die wonderbaarlijke goede grensoverschrijdende smaak siert de groots opgezette museumkeuken met luxe restaurant, waar ook calvinistisch opgegroeide Hollanders zich tegoed kunnen doen aan al het lekkers dat hen vanaf de preekstoel werd ontraden. Jonge ouders worden hier vertrouwd gemaakt met de gezonde geneugten van kook- en bakgewoonten uit de eerdere Oostenrijkse periode.

P.S.: Haast zouden we de Oranjes vergeten. Zij lieten generaties lang Duits bloed toe, ook toen ze uiteindelijk geen enkele verwantschap meer hadden met de eerste Willem. Tot op zekere hoogte hebben de Oranjes die Duitse bloedverwantschap gemeen met een meerderheid van de Vaalser bevolking. Vooral de voorlopig laatste wereldoorlog bracht daardoor het emotionele klimaat in menig grensoverschrijdend lokaal gezin uit evenwicht. Vaalser heemkundigen van Sankt Tolbert grossieren inmiddels dankzij oral history in voorbeelden van gewelddadige oorlogsdebacles in huiselijke kring. Of ook zulke familiedrama’s uitgestald gaan worden in het Vaalser NHM is nog onbeslist. Wel wordt eraan herinnerd hoe Willem I, zeg maar de Hollandse onderkoning van Napoleon, Den Haag verliet toen zijn liefde voor een katholieke hofdame geen genade vond bij Haagse gereformeerden. Er is een bezichtiging mogelijk van het vlakbij gelegen Schloß Rahe, waar hij haar verder vrijelijk beminde en waar zijn zoon, Koning Willem II later zijn uit belastinggelden gefinancierde roemruchte ontvangsten gaf. Voor de jonge museumbezoekers zijn er in de vergulde Oranjezaal spat- en geluiddichte simulatiecabines voor speedboot-scheuren waar zij zich even ‘de koning te rijk’ kunnen wanen.
(Okt’20)

Terug naar het publicatie overzicht