Vaals moest nodig bij Holland, vond Johan de Witt

Vaals moest nodig bij Holland, vond Johan de Witt

Pakweg drieënhalve eeuw geleden. Rembrandt van Rijn had zijn Nachtwacht klaar; de Gouden Eeuw stond daar in Waterland volop in bloei. Piet Hein had in 1628 liefst een half miljard (in Euro’s van nu) ingepikt toen bij toeval een deel van de Spaanse Zilvervloot zijn kant op dreef. De West-Indische Compagnie engageerde zich meer en meer in de lucratieve slavenhandel. Tja, onder zulke omstandigheden was de tachtigjarige oorlog steeds minder van belang. Holland en Spanje kropen naar elkaar toe, ook al vanwege de dreigende Fransen. Hèhè, Mei 1648: Vrede van Münster, eindelijk.
Helaas bleven bij die Vrede een paar losse eindjes liggen: nog wel vijftien jaar lang walste de Spaans-Hollandse oorlog met zijn bevrijdende bezetters en bezettende bevrijders keer op keer over de straatarme bevolking van Zuid-Limburg. Louter vreemdelingen eigenlijk, met onveranderlijk steeds plunderingen, verkrachtingen, roof van karren, paarden, graan, waarschijnlijk ook van jong kanonnenvoer.
In Limburg duurde de tachtigjarige oorlog zo dus welhaast een volle eeuw! Misschien is dat wel stof voor een serie bloedstollende lezingen met lichtbeelden. U leest hier alvast een mogelijke opzet.
Het cruciale losse eindje bij de Vrede van Munster – zo niet ‘la piedra de escándalo’ – was dus de uitblijvende verdeling van ´de Landen van Overmaas´ en daarmee het lot van wat nu Zuid-Limburg heet. Die streek had intussen al drie generaties lang gruwelijk moeten afzien, te beginnen toen Willem van Oranje in 1568 in Mamelis binnenviel, het Bocholtse plateau afdaalde en dertigduizend huursoldaten op en rond de Gulpener berg liet bivakkeren. Vanuit kasteel Gulpen bedreigde hij de Vrije Keizerstad Aken: hij eiste losgeld om eindelijk zijn troepen te kunnen betalen. Intussen liet hij zijn hordes huurlingen vrijelijk de wijde omgeving plunderen en beroven; het was immers ‘Spaans gebied’. Willem wou zijn eigendommen in Holland terug, that’s it; van Limburgers Hollanders maken, dat zou waarlijk nooit bij hem zijn opgekomen. Niks bevrijdingsoorlog hier in het Zuiden. Wel roven naar hartenlust en daarbij alle denkbare remmen los.
In de Vrije Rijksstad Aken had 1598 de katholieke stadsraad met Spaanse steun (Spinola met 16.000 manschappen) de gereformeerden van kerkgang uitgesloten en zevenenzeventig protestantse families uitgezet, een gevoelige klap voor de aanhangers van ‘de waere gereformeerde christelijcke religie’. Raadspensionaris Johan de Witt zou hen bij de onderhandelingen over Zuid-Limburg te hulp schieten, alleen: het zou nog wel duren en zijn opzetje moest niet te vroeg bekend worden. Niet alleen zijn verdrukte Akense geloofsgenoten had hij op het oog: ook de uit Aken uitgeweken koperslagers in Vaals waren – zo wist Johan – van ‘het ware geloof’ en kerkten sinds 1649 (‘simultaan’ en vaak met gevaar voor lijf en leden) in het daartoe telkenmale ontruimde Vaalser parochiekerkje. Bovendien zouden die koperslagers een interessante belastingsom gaan opleveren: honderdvijfentwintigduizend gulden jaarlijks. Zij mengden er Zweeds koper met Limburgs tin uit de nabijgelegen mijn in Gemmenich, halverwege Vaals en het stadje Limburg, hoofdstad van het Hertogdom. Mogelijk straks ‘negotie’ voor Amsterdam!
Zelf stelde het vrijwel volledig katholieke Vaals niets voor, ware het niet dat over de Bosstraat (toen nog de Herzogenratherweg) het soldatenvolk van de Hertog (let wel: dat was dus diezelfde Koning van Spanje) heen en weer toog tussen zijn Hertogstadje Limburg en het huidige Rolduc (toen Kloosterrade), de logische doorsteek richting Rijn. Vaals maakte zo deel uit van Herzogenrath, volgens de koning-hertog hoorde het bij zijn Limburg, maar het lag er als een losse pluk huizen rond een kerkje bij, een klein voorstadje van Aken eigenlijk, dichter nog bij die vrije stad dan het Vijlense tweelingdorp Orsbach dat juist weer wel bij Aken hoorde. De grensgreppels rondom Aken sneden Vaals (en de Vaalser parochie) dwars doormidden en zo hoorde de kern van Vaals er net niet bij, al lag die wel op loopafstand van de keizerstad. 
Historicus J.A.K.Haas doet nauwgezet verslag van de Spaans-Hollandse onderhandelingen over de ‘Partage van Overmaas’, die pas in 1662 zijn beslag kreeg. Inclusief de emoties, ziektes en persoonlijke belangen van de heren onderhandelaars en vaak ook van hun vermakelijke koeterwaals. Waar hij niet over rept, is eventuele correspondentie tussen protestantse elites van Aken en de Hoogmogende Hollander De Witt. Die was er vast, maar Johan voorkwam dat stellingnamen van gereformeerde synoden daarover ooit belandden op de onderhandelingstafel, dat zou zijn opzetje maar hinderen. Haas bericht al helemaal niet, wat de eigen belangenbehartigers van Vaals er zoal van vonden en wat zij de katholieke onderhandelaars zoal influisterden. Dat had ook niet gekund, want die waren er simpelweg niet: geen Vaalsenaar was op enig moment van enig belang. Officieel had de abt van Rolduc vanuit zijn safehouse in Aken die rol nog kunnen spelen, maar die leverde Vaals maar wat graag uit aan de Hollanders tegen zijn eigen Kloosterrade.
Johan de Witt rept tijdens de slepende onderhandelingen dus niet over het gereformeerde perspectief. Slim. Als Vaals dan uiteindelijk – ogenschijnlijk als bijkomstigheid – aan de Hollandse Staten valt, kan op die Vaalser inham in de Rijksstad Aken in 1669 de bouw starten van een grootse Hervormde Kerk op Hollandse staatskosten met vervolgens een indrukwekkende (‘schippers’-)woning voor de Hollandse dominee die er voortaan de Hoogduitse eredienst zal lezen voor zijn voornamelijk Akense elitepubliek.  En voor die Vaalser koperslagers natuurlijk, althans hun gereformeerde bazen. (Meteen al in 1664 is er het staatsbesluit ‘Octroy voor de kooperhandelaars tot Aken, om tot Vaals ovens te zetten’; Peltzer, Sammlung Packbier.) En voor de zestig man sterke Hollandse compagnie die er voortaan een minibevolking van homogeen katholieke armoedzaaiers weg moet houden van protestantse kerkgangers. Pastoor Bosten in zijn pastorietje op de Akense grensgreppel zal later (‘Cunegonde’) door het Hollandse garnizoen worden opgepakt en voor jaren gevangen gezet. Vaalsenaren bestaan eind van  die feitelijk zowat 100-jarige oorlog uit vier opeenvolgende generaties directe oorlogsslachtoffers.
En dan hebben we het nog niet gehad over andere hongerige legers op doortocht, de Franse troepen met hun eigen ‘fisimatenten’ die vanaf 1638 Aken bedreigden of de Hessische troepen in 1643 en 1644. Hoeveel Vaalsenaren zullen getwijfeld hebben, wie nu eigenlijk hun vader was of wie de vader van hun kinderen? En misschien ook, hoezo ze nu allemaal ineens Hollander waren geworden, tweederangs dan wel, want zeggenschap kregen ze daarbij niet, natuurlijk.

Terug naar het publicatie overzicht